ECLI:NL:RVS:2009:BJ3412

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200808854/1/H3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • T.M.A. Claessens
  • K.J.M. Mortelmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen vergunning horeca-inrichting

De burgemeester van Venlo verleende op 17 oktober 2007 een vergunning aan een vergunninghouder voor de exploitatie van een horeca-inrichting op een bepaalde locatie. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat door de burgemeester werd afgewezen. Vervolgens stelde appellanten beroep in bij de rechtbank Roermond, die het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde appellanten hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep stelde de Afdeling vast dat de vergunning aan de vergunninghouder per 1 mei 2009 was vervallen. Appellanten voerden aan dat zij nog belang hadden bij de beoordeling van het hoger beroep omdat een nieuwe vergunning was verleend aan een andere belanghebbende voor dezelfde locatie, met vrijwel dezelfde inhoud. De Afdeling oordeelde echter dat het ontbreken van een actueel geschil betekent dat zij geen oordeel kan geven over het eerdere besluit.

Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan op 22 juli 2009 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de vergunning is vervallen en er geen actueel belang meer bestaat.

Uitspraak

200808854/1/H3.
Datum uitspraak: 22 juli 2009.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], allen wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 oktober 2008 in zaak nr. 08/692 in het geding tussen:
appellanten
en
de burgemeester van Venlo.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2007 heeft de burgemeester van Venlo (hierna: de burgemeester) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor de exploitatie van een horeca-inrichting in het pand [locatie] te [plaats] (hierna: de inrichting).
Bij besluit van 17 maart 2008 heeft de burgemeester het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 januari 2009.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
De burgemeester en [appellanten] hebben nadere stukken ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] nog een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2009, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, ambtenaar in dienst van de gemeente Venlo, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Nu de aan [vergunninghouder] voor de exploitatie van de inrichting verleende vergunning per 1 mei 2009 is vervallen, moet worden onderzocht of [appellanten] nog belang hebben bij het door hen ingestelde hoger beroep. Zij stellen belang te hebben bij een oordeel van de Afdeling over de wijze, waarop de burgemeester de vergunningverlening heeft getoetst aan de Algemene plaatselijke verordening van Venlo, omdat de burgemeester per 1 mei 2009 voor de exploitatie van de inrichting vergunning heeft verleend aan [belanghebbende] en deze vergunning, zowel naar vorm, als naar inhoud, nagenoeg geheel overeenkomt met de aan [vergunninghouder] verleende vergunning.
2.1.1. De door [appellanten] aangevoerde stelling dat een beoordeling van hun hoger beroep van belang is in verband met het besluit van de burgemeester op de aanvraag van [belanghebbende], waarbij vergunning is verleend ten behoeve van de exploitatie van een horeca-inrichting op dezelfde locatie, levert geen belang op bij het ingestelde hoger beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juni 2002 in zaak nr.
200106139/1), is de bestuursrechter alleen in het kader van een geschil met betrekking tot een besluit tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen. Waar zodanig geschil niet langer bestaat, zoals in dit geval omdat de aan [vergunninghouder] verleende vergunning van rechtswege is vervallen, kan de rechter geen oordeel geven.
Het betoog faalt.
2.2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Klein
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009.
97-611.