Uitspraak
200704906/1), wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
200509111/1), is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever in de zin van de Wav om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van die wet worden nageleefd. Uit de bij het boeterapport behorende verklaring van [directeur] blijkt dat hij aannam dat [bedrijf] het personeel controleerde. Het had echter op de weg van [wederpartij] gelegen met [uitzendbureau] dan wel [bedrijf] concrete afspraken te maken over het niet laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning. [wederpartij] heeft voorts niet gesteld en uit de verklaringen van [directeur] is niet gebleken dat maatregelen zijn genomen om tewerkstelling van vreemdelingen zonder de vereiste vergunningen te voorkomen. Door dit na te laten heeft [wederpartij] het risico aanvaard dat de overtredingen zonder haar medeweten konden plaatsvinden. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid, dan wel van een verminderde mate van verwijtbaarheid.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.
200802872/1), bestaat geen reden tot matiging van de opgelegde boete over te gaan indien de beboete werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.