ECLI:NL:RVS:2009:BJ6035

Raad van State

Datum uitspraak
26 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200900952/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • J. Willems
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet op de Ruimtelijke Ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van bouwvergunning voor schuur ondanks bezwaar om vochtschade

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 14 december 2006 een bouwvergunning en vrijstelling voor het plaatsen van een schuur van 15 m² met een hoogte van 3 meter in de achtertuin van een woning. De schuur zou op circa 5 cm afstand van de gevel van de woning en garage van de appellant worden geplaatst.

De appellant maakte bezwaar tegen de vergunning vanwege de vrees voor vochtschade aan haar pand door de korte afstand van de schuur. Dit bezwaar werd door het college ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond. De Raad van State bevestigde dit oordeel in hoger beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat een privaatrechtelijke belemmering slechts tot weigering van vrijstelling kan leiden indien deze evident is, en dat de appellant haar stelling onvoldoende onderbouwde met een deskundigenrapport. Ook de afwijzing van het kort geding door de voorzieningenrechter bevestigde dat er geen evidente belemmering was. De Raad van State zag geen reden om het besluit te herroepen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot verlening van de bouwvergunning en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

200900952/1/H1.
Datum uitspraak: 26 augustus 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 december 2008 in zaak nr. 07/4947 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een schuur in de tuin van de eengezinswoning op het perceel [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel).
Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2008, verzonden op 23 december 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 maart 2009.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2009, waar [appellante], bijgestaan door mr. E.A. Vermeer-Wartna, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.C. Hocks, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door A.C.M. de Graauw, gemachtigde, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan voorziet in een schuur van 15 m² en een hoogte van 3 m. De schuur wordt gesitueerd in de achtertuin van de woning van [vergunninghouder] op een afstand van ongeveer 5 cm van de gevel van de woning en garage van [appellante].
2.2. Het perceel is ingevolge het bestemmingsplan "Bezuidenhout-Midden" bestemd voor "Woondoeleinden I". Het bouwplan is niet in overeenstemming met die bestemming omdat deze ter plaatse slechts een bijgebouw toelaat met een oppervlak van maximaal 9 m² en een goothoogte van maximaal 2,50 m. Ten einde bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college een vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend.
2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen omdat realisering van het bouwplan jegens haar onrechtmatig is. Volgens [appellante] leidt plaatsing van de muur van de schuur op korte afstand van de gevel van haar pand ertoe dat daaraan schade ontstaat door vochtdoorslag.
2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 oktober 2007 in zaak nr.
200701608/1, is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding, wanneer deze een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezen rechter is om die vraag te beantwoorden. De rechtbank heeft dit uitgangspunt terecht ten grondslag gelegd aan de beoordeling van de hiervoor weergegeven door [appellante] opgeworpen beroepsgrond. Daaraan doet niet af dat in de uitspraak waarnaar de rechtbank in dit verband heeft verwezen andere feiten en omstandigheden aan de orde waren.
2.5. [appellante] heeft haar stelling dat realisering van het bouwplan leidt tot schade niet onderbouwd met een deskundigenrapport. Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college in de vrees van [appellante] voor schade ten gevolge van de situering van de schuur aanleiding had behoren te zien om de vrijstelling te herroepen, te meer nu het bestemmingsplan een bijgebouw op die plaats toelaat. De rechtbank is voorts terecht tot de conclusie gekomen dat ten tijde van het besluit op bezwaar geen sprake was van een evidente privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan realisering van het bouwplan. Dat is inmiddels ook gebleken nu de voorzieningenrechter van de rechtbank bij vonnis in kort geding van 11 april 2008 de vordering van [appellante] om een verbod om het bouwplan overeenkomstig de bouwvergunning uit te voeren, heeft afgewezen. De stelling van [appellante] dat daadwerkelijk schade is ontstaan na realisering van het bouwplan, wat er van zij, is een omstandigheid waarmee het college bij het besluit op bezwaar geen rekening kon houden en leidt reeds daarom niet tot een ander oordeel.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009
412.