ECLI:NL:RVS:2009:BJ6650
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding rechtsbijstand bij samenhangende procedures in familierecht
De zaak betreft het hoger beroep tegen de vaststelling van de vergoeding voor rechtsbijstand die door appellant sub 1 aan appellant sub 2 is verleend op basis van vijf toevoegingen. De raad voor rechtsbijstand had de vergoeding vastgesteld met toepassing van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, waarbij sprake was van samenhangende procedures.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant sub 2 niet-ontvankelijk en het beroep van appellant sub 1 deels gegrond vanwege een dubbele aftrek van de eigen bijdrage. De Raad van State oordeelt dat appellant sub 2 geen belanghebbende is bij het besluit over de vergoeding aan de rechtsbijstandverlener en verklaart het hoger beroep van appellant sub 2 ongegrond.
Verder vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank voor zover deze naliet de vergoeding van het griffierecht aan appellant sub 1 toe te kennen en gelast de raad dit griffierecht te vergoeden. De Raad bevestigt dat de raad voor rechtsbijstand terecht heeft geoordeeld dat sprake is van samenhangende procedures, omdat de vijf procedures inhoudelijk verknocht zijn en gezamenlijk zijn behandeld. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond verklaard.
Uitkomst: Hoger beroep van appellant sub 1 gegrond voor vergoeding griffierecht, hoger beroep van appellant sub 2 ongegrond, samenhangende procedures bevestigd.