ECLI:NL:RVS:2009:BJ6666

Raad van State

Datum uitspraak
28 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200905363/1/M2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • C. Taal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.19 Wet milieubeheerArt. 8.1 Wet milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijziging vaste mestopslag pluimveehouderij

Het college van burgemeester en wethouders van Aalten heeft op 2 april 2009 een verklaring afgegeven op grond van artikel 8.19, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer voor een verandering van een pluimveehouderij, waarbij een deel van de vaste mestopslag werd verplaatst naar de noordkant van de inrichting. Deze wijziging leidde tot een geringere afstand tussen de mestopslag en de woningen van de verzoekers.

De verzoekers maakten bezwaar en vroegen de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 18 augustus 2009 werden beide partijen gehoord. De voorzitter stelde vast dat de afstand na verplaatsing ongeveer 100 meter bedroeg en dat het grootste deel van de mestopslag juist verder van de woningen verwijderd zou zijn.

De voorzitter oordeelde dat de verplaatsing niet zou leiden tot een toename van stankhinder of andere nadelige milieugevolgen dan reeds door de vergunning werden toegestaan. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verklaring van het college van B&W Aalten werd afgewezen.

Uitspraak

200905363/1/M2.
Datum uitspraak: 28 augustus 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Aalten,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer met betrekking tot een verandering van een pluimveehouderij van [vergunninghoudster] aan de [locatie] te [plaats] gegeven. Dit besluit is op 9 april 2009 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bezwaar gemaakt.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2009, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 augustus 2009, waar [verzoekers], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, zijn verschenen. Verder is daar [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.
2. Overwegingen
2.1. [verzoekers] voeren aan dat het college ten onrechte een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer heeft gegeven omdat het verplaatsen van een gedeelte van de vaste mestopslag naar de noordkant van de inrichting ertoe leidt dat deze dichterbij hun woning komt te liggen. Dit zal volgens hen leiden tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse van hun woning.
2.1.1. Bij besluit van 29 september 2004 is een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer voor de inrichting in kwestie verleend voor een vaste mestopslag buiten de pluimveestallen. In de bij dit besluit vergunde situatie bevinden zich ten oosten van de stallen twee vaste mestopslagplaatsen van ongeveer gelijke grootte. De melding ziet onder meer op het verplaatsen van de vaste mestopslag waarvan een deel aan de noordkant van de stallen en een deel aan de zuidkant van de stallen komt te liggen.
2.1.2. Niet in geschil is dat als gevolg van de verplaatsing van de vaste mestopslag naar de noordkant van de inrichting de kortste afstand tussen de vaste mestopslag en de woning van [verzoekers] verkleind wordt. De voorzitter overweegt dat het gaat om een geringe verkleining van de afstand. Deze afstand bedraagt na verplaatsing ongeveer 100 meter. De voorzitter stelt vast dat de gemelde verandering tevens inhoudt dat het grootste deel van de vaste mestopslag op grotere afstand dan waar de onderliggende vergunning van uitgaat van de woning van [verzoekers] komt te liggen. Onder deze omstandigheden acht de voorzitter aannemelijk dat de gemelde verplaatsing van de mestopslag niet zal leiden tot een toename van stankhinder. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het verplaatsen van de mestopslag niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu zal leiden dan die de inrichting ingevolge de vergunning mag veroorzaken.
2.2. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Taal
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2009
325-596.