ECLI:NL:RVS:2009:BJ6667
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- R.W.L. Loeb
- M.M. van der Smissen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering urgent woningzoekende verklaring wegens medische en sociale indicatie
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde op 4 september 2008 om de woningzoekende urgent te verklaren. Dit besluit werd bij bezwaar gehandhaafd. De voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van de woningzoekende gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan het college om een nieuw besluit te nemen.
Het college ging in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek en oordeelde dat nader onderzoek niet nodig was en dat direct uitspraak kon worden gedaan in de hoofdzaak.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 2.5.1 van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht, waarin is bepaald dat een woningzoekende alleen urgent kan worden verklaard indien hij over zelfstandige woonruimte beschikt en de urgentie voortvloeit uit sociale of medische indicaties. De woningzoekende beschikte op het moment van de aanvraag niet over zelfstandige woonruimte, waardoor hij niet in aanmerking kwam voor een urgentieverklaring op grond van medische indicatie.
De voorzieningenrechter had geoordeeld dat het college ten onrechte deze omstandigheid had meegewogen bij de medische urgentie, maar de Raad van State stelde vast dat dit correct was omdat de medische urgentie niet voortkwam uit ongeschiktheid van de woonruimte, maar uit het ontbreken daarvan. De hardheidsclausule kon slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden toegepast, zoals bij levensbedreigende situaties, hetgeen niet was gesteld.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de woningzoekende ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de woningzoekende ongegrond verklaard.