ECLI:NL:RVS:2009:BJ7179

Raad van State

Datum uitspraak
3 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200905434/2/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen handhavingsbesluit verwijderen tunnelkassen in Bernheze

Het college van burgemeester en wethouders van Bernheze heeft op 31 oktober 2006 een besluit genomen waarin verzoeker werd gelast zes tunnelkassen, een stekkas en een pomphuis te verwijderen. Verzoeker maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzoek tot voorlopige voorziening behandeld. Gelet op het feit dat de tunnelkassen al sinds medio 1998 aanwezig zijn en het college pas in 2006 handhavend optrad, en dat de begunstigingstermijn meerdere malen is verlengd, oordeelde de voorzitter dat er geen zwaarwegende belangen zijn die onmiddellijke uitvoering van het verwijderingsbesluit rechtvaardigen.

Daarnaast stelde verzoeker ter zitting dat de tunnelkassen noodzakelijk zijn ter voorkoming van vorstschade in de herfst en winter. De voorzitter besloot daarom het besluit van het college te schorsen totdat de Afdeling in de bodemprocedure uitspraak doet. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoeker.

Uitkomst: Het besluit tot verwijdering van tunnelkassen en bouwwerken is geschorst bij voorlopige voorziening.

Uitspraak

200905434/2/H1.
Datum uitspraak: 3 september 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 juli 2009 in zaak nr. 07/1273 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bernheze.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) [verzoeker] onder oplegging van een dwangsom gelast zes tunnelkassen, de stekkas en het gemetselde pomphuis, gelegen op het perceel achter de woningen [locaties] in [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden.
Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college voormelde besluiten ingetrokken voor zover de daarin vervatte last betrekking heeft op de stekkas en het pomphuis.
Bij uitspraak van 16 juli 2009, verzonden op 17 juli 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [verzoeker] tegen het besluit van 27 maart 2007, zoals gewijzigd bij besluit van 29 januari 2008, ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 augustus 2009.
Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 augustus 2009, waar [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M. Meijer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. In onderhavige zaak is een aantal rechtsvragen aan de orde dat door de Afdeling in de bodemprocedure dient te worden beantwoord. De hoofdzaak zal, naar het zich laat aanzien, in het voorjaar van 2010 op een zitting worden behandeld.
2.3. Ten aanzien van de vraag of in afwachting daarvan een voorlopige voorziening getroffen dient te worden, wordt overwogen dat zich sinds medio 1998 tunnelkassen op het perceel bevinden en het college eerst in oktober 2006 daartegen handhavend heeft opgetreden. Hangende de bezwaarprocedure bij het college en de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft het college de begunstigingstermijn van de last voorts meerdere keren verlengd. De voorzitter leidt daaruit af dat de belangen om de last op korte termijn te effectueren niet zodanig zwaarwegend zijn, dat niet gewacht kan worden totdat de Afdeling op het hoger beroep van [verzoeker] heeft beslist. Daartegenover staat dat [verzoeker] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de tunnelkassen noodzakelijk zijn om in de herfst en winter vorstschade aan het plantenbestand te voorkomen. Ofschoon [verzoeker] rekening dient te houden met de gerede kans dat de Afdeling de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure zal bevestigen, ziet de voorzitter in het vorenstaande niettemin aanleiding de navolgende voorlopige voorziening te treffen.
2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze van 29 januari 2008, kenmerk 2008/, het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze van 27 maart 2007, kenmerk 2006/19829, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze van 31 oktober 2006, kenmerk 2006/17654;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bernheze tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 66,38 (zegge: zesenzestig euro en achtendertig cent);
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bernheze aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak w.g. Hanrath
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2009
392.