Uitspraak
200703261/1) overwogen dat in het stappenplan van de op de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gepubliceerde brochure "Wat u moet weten over vreemdelingen en werk" voor de controle van identiteitsdocumenten slechts als tip is vermeld dat bij de controle gebruik kan worden gemaakt van hulpmiddelen als een loep, UV-lamp of handboeken. De rechtbank heeft daarom in het kader van de beoordeling van de verwijtbaarheid van [appellant] terecht geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat [appellant] de genoemde afwijking weliswaar met behulp van een handboek had kunnen constateren, maar heeft nagelaten daarvan gebruik te maken. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr.
200803051/1) laat dit echter onverlet dat een werkgever is gehouden om te controleren of een identiteitskaart geldig, echt en onvervalst is, zoals in stap 4 van het stappenplan in voormelde brochure is vermeld. Daaronder valt controle op typefouten en echtheidskenmerken. [appellant] heeft verklaard het paspoort niet op echtheid te hebben gecontroleerd. Hij heeft enkel gekeken naar stempels om te zien of het paspoort werd gebruikt en heeft het sofinummer laten controleren.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Het is aan degene die een beroep doet op bijzondere omstandigheden om dit beroep te onderbouwen.