Uitspraak
200509111/1), is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever in de zin van de Wav om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van die wet worden nageleefd. Derhalve had [appellante] zich er in ieder geval van dienen te vergewissen dat de vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunningen in Nederland werkzaamheden mochten verrichten dan wel dat de benodigde tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven. [directeur] heeft verklaard dat de vaste mensen van Arbo 2 B.V. ergens anders werkten en dat hij de tijdelijke mensen niet heeft gecontroleerd vanwege de grote drukte. Hij is er in goed vertrouwen vanuit gegaan dat het goed zou zijn en heeft van het uitzendbureau geen afschriften ontvangen van identiteitsdocumenten van de aangetroffen vreemdelingen. Hij heeft in zijn verklaring zelf aangegeven fout te hebben gehandeld. In deze omstandigheden moet de conclusie zijn dat [appellante] niet aan de vergewisplicht heeft voldaan. Gelet hierop kan [appellante] ook niet gevolgd worden in haar betoog dat de werknemers zonder haar medeweten zijn gewisseld door het uitzendbureau. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellante] al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtredingen te voorkomen of dat deze overtredingen haar in verminderde mate kunnen worden verweten. Ook de overige door [appellante] aangevoerde omstandigheden kunnen niet tot het oordeel leiden dat sprake zou zijn van het ontbreken van verwijtbaarheid, dan wel een verminderde mate daarvan.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Het is aan degene die een beroep doet op bijzondere omstandigheden om dit beroep te onderbouwen.