Art. 19 lid 3 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 5:50 BWArt. 5:51 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vrijstelling en bouwvergunning met voorwaarden voor raamopening nabij perceelgrens
Het college van burgemeester en wethouders van Margraten verleende aan appellant een vrijstelling en bouwvergunning voor een raamopening in de westgevel van zijn woning, met twee voorwaarden: het raam moet vaststaand zijn en voorzien van ondoorzichtig glas. Appellant maakte bezwaar tegen deze voorwaarden, stellende dat het raam geen inbreuk maakt op de privacy van de buurman omdat het uitzicht slechts op een oprit is die ook vanaf de openbare weg zichtbaar is.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit van het college. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat volgens artikel 5:50 BWPro het plaatsen van vensters binnen twee meter van de perceelgrens zonder toestemming van de buurman niet is toegestaan, tenzij het raam vaststaand en ondoorzichtig is conform artikel 5:51 BWPro.
De Afdeling stelde vast dat het raam binnen twee meter van de perceelgrens ligt en uitzicht biedt op het erf van de buurman zonder diens toestemming. De privaatrechtelijke belemmering is evident en de wijze van gebruik van het uitzicht is niet relevant voor de toepassing van artikel 5:50 BWPro. Daarom is het college bevoegd om voorwaarden te verbinden aan de vrijstelling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200901450/1/H1.
Datum uitspraak: 16 september 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 januari 2009 in zaak nr. 08/683 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Margraten.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Margraten (hierna: het college) aan [appellant] (hierna: [appellant]) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor een raamopening in de westgevel van zijn woning, gelegen aan [locatie] te [plaats]. Aan de vrijstelling heeft het college twee voorwaarden verbonden.
Bij besluit van 28 maart 2008 heeft het college het door [appellant] tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 januari 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2009.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 9 april 2009 heeft [partij] een reactie ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.P.M. Brouns, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door L. van den Hombergh, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan voorziet in de legalisering van een reeds gerealiseerde raamopening in een muur van een uitbreiding van de woning van [appellant]. Voor deze uitbreiding is op 1 augustus 2006 vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend. Deze vrijstelling en bouwvergunning voorzagen niet in de reeds gerealiseerde raamopening. Aangezien het college het bouwplan in strijd achtte met artikel 5:50 vanPro het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW), heeft het aan de bij het primaire besluit verleende vrijstelling de voorwaarden verbonden dat het bedoelde raam vaststaand is en het daarin aan te brengen glas ondoorzichtig.
2.2. Ingevolge artikel 5:50, eerste lid, van het BW is het, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.
Ingevolge artikel 5:50, derde lid, van het BW wordt de in dit artikel bedoelde afstand gemeten rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erven.
Ingevolge artikel 5:51 vanPro het BW mogen in muren, staande binnen de in het vorige artikel aangegeven afstand, steeds lichtopeningen worden gemaakt, mits zij van vaststaande en ondoorzichtige vensters worden voorzien.
2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de voorwaarden in redelijkheid aan de vrijstelling heeft kunnen verbinden. Daartoe voert hij aan dat het verbod van artikel 5:50 vanPro het BW op het bedoelde raam niet van toepassing is, nu het recht op visuele privacy van [partij], dat dit artikel beoogt te beschermen, niet wordt geschonden. Volgens [appellant] biedt het raam slechts uitzicht op de oprit van [partij], die ook vanaf de openbare weg zichtbaar is. Van schending van de privacy van [partij] kan daarom geen sprake zijn, aldus [appellant].
2.3.1. Het betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 6 december 2006 in zaak nrs. 200604465/1 en 200604465/2), is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding, wanneer zo'n belemmering een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden.
2.3.2. Het raam bevindt zich binnen 2 m van de perceelgrens en biedt rechtstreeks uitzicht op het erf van [partij]. Nu deze geen toestemming heeft gegeven voor het plaatsen ervan, dient te worden vastgesteld dat voor het plaatsen van het venster een evidente privaatrechtelijke belemmering bestaat. Er is geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het voor de toepasselijkheid van artikel 5:50 vanPro het BW van belang is op welke wijze gebruikt wordt gemaakt van het deel van het naburige erf waarop het venster uitzicht biedt. De rechtbank heeft derhalve op goede gronden geoordeeld dat het college bij het besluit op bezwaar in redelijkheid de vrijstelling met de daaraan verbonden voorwaarden in stand kon laten.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.