ECLI:NL:RVS:2009:BJ7783

Raad van State

Datum uitspraak
16 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200900902/1/H1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. Konijnenbelt
  • G.A.A.M. Boot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 58 Woningwet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing intrekking bouwvergunning en handhaving bijgebouw

Het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel heeft het verzoek van appellant om de bouwvergunning voor een bijgebouw in te trekken en handhavend op te treden tegen het vermeende strijdige gebruik afgewezen. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank Arnhem, die het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de zitting verklaarde de vergunninghouder dat de vermeende illegale activiteiten in het bijgebouw zijn gestaakt en dat de woning te koop staat. Het college toezegde toe te zien op het niet hervatten van de activiteiten. De Raad van State oordeelde dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van het hoger beroep voor zover het de activiteiten betreft.

De Raad van State bevestigde dat het college het verzoek tot intrekking van de bouwvergunning terecht heeft afgewezen, omdat niet is gebleken dat de vergunning op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend. Daarmee voldoet het verzoek niet aan de voorwaarden van artikel 58 van Pro de Woningwet. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot intrekking van de bouwvergunning wordt bevestigd.

Uitspraak

200900902/1/H1.
Datum uitspraak: 16 september 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 december 2008
in zaak nr. 08/1990 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om de bij besluit van 18 maart 2003 aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning voor het oprichten van een bijgebouw bij zijn woning op het perceel aan de [locatie] te [plaats], gemeente Maasdriel (hierna: het perceel), in te trekken en om handhavend op te treden tegen het vermeende strijdige gebruik van het bijgebouw als sport- en recreatiecentrum, afgewezen.
Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 maart 2009.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2009,
waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Vught, en het college, vertegenwoordigd door
J.J.W.G. van den Oetelaar, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, gemachtigde, als belanghebbende gehoord.
2. Overwegingen
2.1. [vergunninghouder] heeft ter zitting verklaard dat de door [appellant] gestelde illegale activiteiten in het bijgebouw niet meer plaatsvinden en zijn woning te koop staat, hetgeen door [appellant] is bevestigd. De activiteiten moeten dan ook worden geacht duurzaam te zijn gestaakt. Het college heeft ter zitting toegezegd, erop te zullen toezien dat de activiteiten niet zullen worden hervat. Er is niet gebleken dat [appellant] nog belang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep in zoverre.
2.2. Anders dan [appellant] betoogt, is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat het college het verzoek om intrekking van de bouwvergunning voor het bijgebouw terecht heeft afgewezen, omdat niet is gebleken dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend. Aan de voorwaarden van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet om de bouwvergunning in te kunnen trekken wordt derhalve niet voldaan.
2.3. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. De aangevallen uitspraak dient ten aanzien van het verzoek om intrekking van de bouwvergunning te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak ten aanzien van het verzoek om intrekking van de bouwvergunning.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Boot
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009
202.