Uitspraak
200704876/1, geen plaats. Reeds hierom heeft het college terecht geconcludeerd dat in zoverre geen voorschriften in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij moeten worden gesteld. Dit artikellid geeft daarom geen grond voor weigering van de vergunning. Deze beroepsgrond faalt.
200706095/1betreft de coördinatie als bedoeld in artikel 7 van Pro de Richtlijn 2008/1/EG, gelet op de definitie van het begrip "vergunning" in artikel 2, onder 9, van deze Richtlijn, slechts de coördinatie tussen die besluiten of gedeelten van (een) besluit(en) die hun grondslag vinden in de regelgeving die de implementatie vormt van Richtlijn 2008/1/EG. Nu de Natuurbeschermingswet 1998, die is gericht op implementatie van de Richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand en de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, niet tot die regelgeving behoort, ziet artikel 7 van Pro Richtlijn 2008/1/EG niet op coördinatie tussen het hier aan de orde zijnde besluit op een aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer en een besluit op een aanvraag om vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998.
200605039/1heeft overwogen -, geen ruimte voor een afweging door het bevoegd gezag. De Afdeling stelt vast dat de door het college aan de vergunning verbonden controlevoorschriften 2.2.3 en 9.2.1 niet voldoen aan de in artikel 8.12, vierde lid, onder a en b gestelde vereisten, nu daarin geen onvoorwaardelijke verplichting is opgenomen om te bepalen of aan de in de voorschriften 9.1.1 en 9.1.2 opgenomen grenswaarden wordt voldaan, maar een dergelijke onderzoeksverplichting afhankelijk wordt gesteld van het bestaan van een vermoeden dat geluidhinder optreedt. Gelet hierop is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer.