AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen instemming met evaluatieverslag bodemsanering door college van gedeputeerde staten Limburg
Het college van gedeputeerde staten van Limburg heeft op 4 juli 2008 ingestemd met het evaluatieverslag van de bodemsanering op twee locaties te een plaats. Appellant stelde dat de sanering onvolledig was uitgevoerd en dat de opvulling van de saneringskuil onzorgvuldig was, wat leidde tot wateroverlast. Hij voerde aan dat het college ten onrechte met het verslag had ingestemd omdat het saneringsplan niet was nageleefd.
De Afdeling overwoog dat het college slechts instemming kan onthouden als niet voldaan is aan de eisen van artikel 38 vanPro de Wet bodembescherming, waarbij het saneringsplan zelf geen rol speelt in die beoordeling. De technische haalbaarheid van het saneren van restverontreiniging en afspraken over opvulwijze zijn niet relevant voor de instemming met het verslag. Wel kan het bevoegd gezag handhavend optreden op grond van artikel 39a Wet bodembescherming als blijkt dat de sanering niet conform het saneringsplan is uitgevoerd.
Appellant vorderde tevens schadevergoeding en nadeelcompensatie wegens onrechtmatigheid van het besluit. De Afdeling wees deze verzoeken af omdat het beroep ongegrond was en het verzoek om nadeelcompensatie niet op de rechtmatigheid van het besluit ziet. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten Limburg wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
200806260/1/M2.
Datum uitspraak: 30 september 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Limburg,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) ingestemd met het verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming, opgemaakt van de bodemsanering op de [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats] (hierna: het evaluatieverslag).
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2008, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.M.E. Kessels, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.J. Zonderland en ing. R.R.J.J. Burgers, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Verder is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Beek, vertegenwoordigd door R. Denis, werkzaam bij de gemeente.
2. Overwegingen
2.1. Artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming bepaalt dat degene die de bodem saneert, de sanering zodanig uitvoert dat:
a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;
b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;
c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.
Ingevolge artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, doet degene die de bodem heeft gesaneerd, na de uitvoering van de sanering, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk verslag aan het college van gedeputeerde staten.
Ingevolge het tweede lid behoeft het verslag de instemming van het college van gedeputeerde staten, dat slechts met het verslag instemt indien is gesaneerd overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 38.
2.2. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte met het evaluatieverslag heeft ingestemd, omdat de sanering niet is uitgevoerd overeenkomstig het bij besluit van 21 maart 2007 vastgestelde saneringsplan. Hiertoe stelt hij dat de sanering onvolledig is geschied, omdat langs de vloedgraaf die naast de tuin van zijn woning [locatie 1] loopt een restverontreiniging is achtergebleven met een breedte van ongeveer een meter. Kort samengevat was het volgens hem, anders dan het college veronderstelde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, technisch wel haalbaar om deze verontreiniging te saneren.
[appellant] voert voorts aan dat de opvulling van de saneringskuil op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. [appellant] stelt in dit verband dat met het college afspraken zijn gemaakt over de opvulwijze van de saneringskuil. Volgens hem is echter in strijd met deze afspraken gehandeld en ondervindt hij nu wateroverlast omdat de afwatering in zijn tuin bijna volledig geblokkeerd is.
2.2.1. Uit artikel 38, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 39c, tweede lid, van de Wet bodembescherming volgt dat het college slechts instemming aan het evaluatieverslag kan onthouden als niet kan worden voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 gesteldePro. Gelet hierop kan hetgeen in het saneringsplan is neergelegd, bij de beoordeling of voldaan wordt aan het bij of krachtens artikel 38 gesteldePro geen rol spelen. Evenmin zijn de technische haalbaarheid van de sanering van de restverontreiniging en de afspraken over de opvulwijze van de saneringskuil in het licht van artikel 39c, tweede lid, van de Wet bodembescherming relevant.
Uit het voorgaande volgt dan ook dat hetgeen [appellant] aanvoert niet kan leiden tot het oordeel dat het college niet op grond van artikel 39c, tweede lid, van de Wet bodembescherming heeft kunnen instemmen met het evaluatieverslag.
De beroepsgronden falen.
2.2.2. Wat betreft het betoog van [appellant] over de niet overeenkomstig het saneringsplan uitgevoerde sanering acht de Afdeling evenwel artikel 39a van de Wet bodembescherming van belang. Hierin is bepaald dat degene die de bodem saneert, alsmede degene die de sanering feitelijk uitvoert, de sanering overeenkomstig het saneringsplan waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, en overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden, uitvoeren. Hieruit volgt dat het bevoegd gezag zelfs als het heeft ingestemd met het evaluatieverslag, op grond van artikel 39a van de Wet bodembescherming handhavend kan optreden als na afronding van de sanering blijkt dat de sanering niet overeenkomstig het saneringsplan is uitgevoerd.
2.3. [appellant] stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het op eigen kosten laten verwijderen van de restverontreiniging langs de vloedgraaf en als gevolg van de wateroverlast in zijn tuin. Hij stelt dat het college voor deze schade aansprakelijk is en verzoekt om schadevergoeding wegens onrechtmatigheid van het bestreden besluit. Indien de Afdeling het bestreden besluit niet vernietigt, stelt [appellant] dat hem nadeelcompensatie zal moeten worden toegekend.
2.3.1. Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling indien zij het beroep gegrond verklaart en indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.
2.3.2. Nu het beroep ongegrond is, dient het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.
2.3.3. Ten aanzien van het verzoek om nadeelcompensatie overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit en om die reden niet kan slagen.
2.4. Het beroep is ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van Staat.