ECLI:NL:RVS:2009:BJ9158
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- P.A. Offers
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Weigering afgifte verblijfskaart aan burgers van de Unie niet in strijd met EU-richtlijn
In deze zaak hebben twee burgers van de Unie beroep ingesteld tegen de weigering van de staatssecretaris om hen een verblijfskaart te verstrekken, waarbij zij in plaats daarvan een verklaring van inschrijving ontvingen. De vreemdelingen voerden aan dat zij een feitelijk belang hadden bij het verkrijgen van een verblijfskaart vanwege praktische voordelen, zoals het gemakkelijker kunnen aantonen van rechtmatig verblijf bij overheidsinstanties en financiële instellingen.
De rechtbank had de beroepen niet-ontvankelijk verklaard, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vreemdelingen wel degelijk een rechtens te honoreren belang hadden bij toetsing van het standpunt van de staatssecretaris. De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen alsnog ongegrond.
De Afdeling overwoog dat de Richtlijn 2004/38/EG het nationale recht niet belemmert om uitsluitend een verklaring van inschrijving te verstrekken in plaats van een verblijfskaart, ook al kan een verblijfskaart praktische voordelen bieden. De nationale regeling in artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000, die bepaalt dat aan burgers van de Unie alleen een verklaring wordt verstrekt, is niet in strijd met de Richtlijn.
Verder oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris terecht de verblijfskaart heeft geweigerd, ondanks het betoog van de vreemdelingen dat anderen in vergelijkbare situaties mogelijk wel een verblijfskaart ontvingen. Het gelijkheidsbeginsel verplicht niet tot herhaalde onjuiste wetstoepassing.
Tot slot werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en werd het griffierecht van de vreemdelingen vergoed.
Uitkomst: De staatssecretaris heeft terecht geweigerd een verblijfskaart te verstrekken en uitsluitend een verklaring van inschrijving afgegeven.