ECLI:NL:RVS:2009:BJ9492

Raad van State

Datum uitspraak
7 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200901256/1/M2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 Wet bodembeschermingArt. 39c Wet bodembescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen instemming saneringsverslag verontreinigde grond Hupselse Dwarsweg 2a te Eibergen

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland stemde bij besluit van 28 april 2008 in met het saneringsverslag betreffende de verontreinigde grond op de locatie Hupselse Dwarsweg 2a te Eibergen. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit, stellende dat de sanering niet overeenkomstig het saneringsplan was uitgevoerd en dat het college ten onrechte instemde met een gefaseerde sanering.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college terecht was uitgegaan van een gefaseerde sanering, waarbij fase 1 betrekking had op de verontreinigde grond en fase 2 op het grondwater. De door appellanten aangevoerde onregelmatigheden, zoals het verplaatsen van vervuilde grond en het verwijderen van peilbuizen, werden niet aannemelijk geacht als strijdig met het saneringsplan.

Daarnaast kon in deze procedure niet worden ingegaan op mogelijke illegale handelingen met betrekking tot asbestverontreiniging in de omgeving, omdat het besluit slechts zag op instemming met het saneringsverslag. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot instemming met het saneringsverslag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

200901256/1/M2.
Datum uitspraak: 7 oktober 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) ingestemd met het ingediende saneringsverslag met betrekking tot de sanering van de verontreinigde grond op de locatie Hupselse Dwarsweg 2a te Eibergen.
Bij besluit van 8 januari 2009 heeft het college het door [appellanten] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 19 maart 2009.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2009, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door drs. J.K.W. Niemeyer en G. van Thiel, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 19 november 2003 heeft het college ingestemd met het saneringsplan voor de locatie Hupselse Dwarsweg 2a. In het saneringsplan zijn maatregelen omschreven voor een functiegerichte sanering van de verontreinigde grond en een kosteneffectieve sanering van het verontreinigde grondwater. Er is een saneringsverslag ingediend met betrekking tot de sanering van de verontreinigde grond.
2.2. [appellanten] voeren aan dat in het bestreden besluit ten onrechte van een gefaseerde sanering is uitgegaan. Volgens hen heeft de sanering niet plaatsgevonden overeenkomstig het saneringsplan nu slechts een deel van de in het saneringsplan omschreven maatregelen zijn uitgevoerd. Het college heeft daarom in zoverre ten onrechte ingestemd met het saneringsverslag, aldus [appellanten].
2.2.1. In artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, is bepaald dat degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd na de uitvoering van de sanering of een fase van de sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, zo spoedig mogelijk schriftelijk verslag doet aan gedeputeerde staten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel behoeft het verslag de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het verslag instemmen indien gesaneerd is overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 38.
In artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, is bepaald dat degene die de bodem saneert de sanering zodanig uitvoert dat:
a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;
b. het risico van de verspreiding van verontreinigde stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt.
In artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, is bepaald dat gedeputeerde staten kunnen bepalen dat de sanering in fasen wordt uitgevoerd.
2.2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het heeft ingestemd met de uitvoering van de sanering in twee fasen. Fase 1 ziet op de uitvoering van de sanering van de verontreinigde grond. Fase 2 ziet op de uitvoering van de sanering van het verontreinigde grondwater. Volgens het college zijn in het saneringsplan de te treffen saneringsmaatregelen voor de verontreinigde grond duidelijk onderscheiden van de te treffen saneringsmaatregelen voor het verontreinigde grondwater. Daarnaast wordt ook in de motivering van het besluit van 19 november 2003 waarbij met het saneringsplan is ingestemd duidelijk een onderscheid gemaakt tussen de actieve aanpak van de verontreiniging in de grond en de monitoring van de verontreiniging in het grondwater, aldus het college.
2.2.3. Hoewel dit niet expliciet is vermeld in het besluit van 19 november 2003 is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij dit besluit niet heeft ingestemd met een gefaseerde sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming. Gelet hierop heeft het college overeenkomstig artikel 39c, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming in zoverre in redelijkheid kunnen instemmen met het saneringsverslag van de uitvoering van fase 1 van de sanering.
De beroepsgrond faalt.
2.3. [appellanten] voeren aan dat de sanering niet overeenkomstig artikel 38 van Pro de Wet bodembescherming heeft plaatsgevonden, daar de sanering niet overeenkomstig het saneringsplan is uitgevoerd. De instemming met het saneringsverslag is daarom volgens hen in strijd met artikel 39c, tweede lid, van de Wet bodembescherming. Zij voeren hiertoe aan dat er zonder dat dit in het saneringsplan is omschreven verontreinigde grond is afgevoerd vanaf de saneringslocatie. Ten gevolge hiervan is volgens hen de bodem in de omgeving van de locatie Hupselse Dwarsweg 2a wellicht ernstig verontreinigd doordat tijdens deze activiteit verontreinigde grond van de vrachtwagens is gevallen. Daarnaast is volgens hen voorafgaand aan de sanering een deel van de vervuilde grond op de locatie Hupselse Dwarsweg 2a verplaatst en in een kuil gestort. Voorts zijn de peilbuizen verwijderd en zijn stelconplaten toegepast in plaats van puingranulaat ten gevolge waarvan de benzeenverontreiniging zich verder zal kunnen verspreiden.
2.3.1. In hetgeen [appellanten] aanvoeren is niet aannemelijk geworden dat de sanering niet is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 38 van Pro de Wet bodembescherming. Uit het saneringsplan blijkt dat de peilbuizen worden gebruikt ten behoeve van de sanering van het grondwater en dat de benzeenverontreiniging zich in het grondwater bevindt. Fase 1 van de sanering waarop het saneringsplan ziet heeft geen betrekking op de sanering van het grondwater, zodat de beroepsgrond in zoverre in deze procedure niet aan de orde kan komen.
De beroepsgrond faalt.
2.4. Volgens [appellanten] zijn, nadat tijdens de saneringswerkzaamheden is gebleken dat in de omgeving van de locatie Hupselse Dwarsweg 2a sprake is van een grotere asbestverontreiniging dan waarvan wordt uitgegaan in het saneringsplan, ten onrechte ter plaatse van deze verontreiniging handelingen verricht ten aanzien van de bodem, zoals het aanleggen van fietspaden en waterleidingen.
2.4.1. Ter beoordeling staat het besluit tot instemming met het saneringverslag van de sanering van de verontreiniging op de locatie Hupselse Dwarsweg 2a overeenkomstig het saneringsplan. Dat mogelijk illegale handelingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van de asbestverontreiniging in de omgeving van de locatie Hupselse Dwarsweg 2a kan daarom in deze procedure niet aan de orde komen.
De beroepsgrond faalt.
2.5. Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Fransen
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009
407-578.