ECLI:NL:RVS:2009:BJ9884
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling ongewenst verklaard wegens gevaar voor openbare orde ondanks beroep op EVRM-artikel 3
De vreemdeling werd bij besluit van 15 juni 2006 ongewenst verklaard en het bezwaar tegen dit besluit werd op 14 december 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling niet ontvankelijk, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het tweede beroep niet-ontvankelijk verklaarde, omdat de wet geen verbod kent op meerdere beroepen tegen hetzelfde besluit door dezelfde belanghebbende. Het hoger beroep wordt daarom gegrond verklaard en de eerdere uitspraak vernietigd.
Inhoudelijk stelt de Raad vast dat de vreemdeling terecht ongewenst is verklaard vanwege een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 107 dagen, wat een gevaar voor de openbare orde vormt volgens de Vreemdelingencirculaire 2000. De vreemdeling voerde aan dat terugkeer naar Afghanistan een risico op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro inhoudt, maar deze stelling is onvoldoende onderbouwd en het ambtsbericht biedt geen aanleiding tot een ander oordeel.
Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het generaal pardon faalt wegens gebrek aan onderbouwing. De Raad verklaart het beroep ongegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en gelast terugbetaling van het griffierecht aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de ongewenstverklaring blijft gehandhaafd.