Uitspraak
200206610/1heeft overwogen kent de wet geen rangorde tussen de procedure tot herziening van een bestemmingsplan en de procedure op grond van artikel 19 van Pro de WRO. Hierin bestond dan ook geen belemmering om van deze laatste procedure gebruik te maken. Voor de vraag of het college bevoegd is om met toepassing van het tweede lid van artikel 19 van Pro de WRO vrijstelling te verlenen is het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) van 19 juli 2005, waarin het beleid inzake de toepassing van dit artikel is vastgesteld, bepalend. Daarin staat dat zodra een speerpunt van provinciaal ruimtelijk beleid aan de orde is, een verklaring van geen bezwaar is vereist. Anders dan [appellanten sub 1] betogen valt het project niet onder het speerpunt locatiebeleid. Dit speerpunt heeft betrekking op projecten die de vestiging van arbeidsintensieve bedrijven, zoals kantoren, publiek- en verkeersaantrekkende bedrijven en grootschalige voorzieningen betreffen. Het bouwplan, dat betrekking heeft op 5 woon-werkwoningen en verder op woningen, kan niet als zo'n project worden aangemerkt.
200201760/1) kunnen aan de ruimtelijke onderbouwing van een project minder zware eisen worden gesteld, naarmate de inbreuk van dat project op het bestaande planologische regime kleiner is. Gelet op onder meer de bestemming "Bedrijfsbebouwing met bijbehorende erven", waarop tevens dienstwoningen zijn toegestaan, kan niet worden geconcludeerd dat het bouwplan, mede gezien de in het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden en maximale bouwhoogten, een ernstige inbreuk op het bestemmingsplan maakt. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de inbreuk van het bouwplan op het bestaande planologische regime niet groot is te achten. Dat het provinciaal beleid ertoe zou leiden dat slechts een vergelijking met de feitelijke bestaande situatie kan worden gemaakt, is voor de vraag naar de inbreuk van het project als hiervoor bedoeld niet van belang.