ECLI:NL:RVS:2009:BK0436
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en mvv-vereisten in het kader van besluit nr. 1/80
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Buitenlandse Zaken tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) gegrond verklaarde. De minister betoogde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het besluit van 15 juli 2008 ondeugdelijk was gemotiveerd en dat de rechtmatigheid van de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet ter discussie stond.
De Raad van State overwoog dat in tegenstelling tot eerdere jurisprudentie de rechtmatigheid van de intrekking van de verblijfsvergunning in dit geval in rechte vaststaat, waardoor de minister niet opnieuw hoefde te beoordelen of de vreemdeling drie jaar legaal bij een Turkse werknemer had verbleven en daarmee rechten op grond van artikel 7 van Pro besluit nr. 1/80 had verworven. Tevens faalden de bezwaren van de vreemdeling dat het mvv-vereiste en de huidige voorwaarden voor arbeid in loondienst als nieuwe beperkingen in de zin van artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80 moesten worden aangemerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing bevestigt dat de minister terecht het bezwaar tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag ongegrond heeft verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag bevestigd.