Het college van gedeputeerde staten van Gelderland had op 22 april 2009 besloten tot goedkeuring van een wijzigingsplan voor het perceel aan de Flessenbergerweg 53 te Wapenveld, waarbij de bestemming van 'Bedrijf' naar 'Wonen' werd gewijzigd. Appellant en anderen maakten bezwaar tegen dit besluit en stelden dat het plan zou leiden tot verlies van een groenstrook en aantasting van hun woon- en leefklimaat.
De Raad van State stelde vast dat het college ten onrechte had aangenomen dat er geen zienswijzen waren ingediend en dat de zienswijze van appellant niet was betrokken bij de besluitvorming. Hierdoor was het besluit in strijd met de zorgvuldigheidseisen en ontbrak een deugdelijke motivering, wat tot vernietiging leidde.
Desondanks oordeelde de Raad dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de bestemmingswijziging geen ernstige aantasting van privacy, uitzicht of woonklimaat zou veroorzaken, mede vanwege de stedelijke omgeving en de afstand van circa 12 meter tussen de nieuwe woningen en de perceelsgrens. Daarom werden de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.
Tot slot werd het betaalde griffierecht aan appellant en anderen vergoed. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 21 oktober 2009.
Uitkomst: Het besluit van het college van gedeputeerde staten Gelderland wordt vernietigd wegens schending van zorgvuldigheid en motivering, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.
Uitspraak
200904352/1/R2.
Datum uitspraak: 21 oktober 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2009, kenmerk 2009-005758, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Heerde bij besluit van 10 maart 2009 vastgestelde wijzigingsplan "Bestemmingsplan Wapenveld-Dorp, 1e wijziging ex artikel 11 WROPro (Flessenbergerweg 53)" (hierna: het wijzigingsplan).
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2009, beroep ingesteld.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben het college van burgemeester en wethouders en [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college van burgemeester en wethouders heeft een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2009, waar het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, is verschenen. Voorts is ter zitting het college van burgemeester en wethouder, vertegenwoordigd door P. Pasveer en H.R. Bijsterbosch-van 't Einde, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
2.2. Het wijzigingsplan ziet op de wijziging van de bestemming "Bedrijf" naar "Wonen" voor het perceel aan de Flessenbergerweg 53 te Wapenveld. Het wijzigingsplan strekt tot het saneren van de aanwezige bedrijfsbebouwing en het realiseren van drie vrijstaande woningen met een garage.
2.3. In het bestreden besluit is slechts vermeld dat geen zienswijzen zijn ingediend en dat geen aanleiding wordt gezien om goedkeuring te onthouden aan het wijzigingsplan. Niet in geschil is dat [appellant] in het kader van de wijzigingsprocedure een zienswijze naar voren heeft gebracht. Ter zitting heeft het college verklaard dat hij er ten onrechte van uit is gegaan dat er geen zienswijze naar voren is gebracht en dat hij de zienswijze van [appellant] niet in zijn overweging heeft betrokken.
2.3.1. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat het bestreden besluit in zoverre genomen is in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep op dit punt is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.
2.4. De Afdeling ziet aanleiding om nader te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand dienen te worden gelaten en overweegt hiertoe het volgende. De inhoud van de zienswijze van [appellant] stemt overeen met hetgeen [appellant] en anderen in beroep naar voren hebben gebracht. Het college heeft ter zitting aangegeven zich geheel te kunnen vinden in de door het college van burgemeester en wethouders gegeven nadere uiteenzetting en dat een hernieuwde beslissing niet anders zal uitvallen. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding nader in te gaan op het door partijen over en weer in de beroepsprocedure gestelde.
2.5. [appellant] en anderen betogen dat de bestemmingswijziging leidt tot het verlies van een als afscheiding fungerende groenstrook aan de achterzijde van het perceel Flessenbergerweg 53. Zij vrezen aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van het verlies aan privacy en uitzicht, hetgeen tevens zal leiden tot waardevermindering van hun huizen.
2.6. Het college heeft met het college van burgemeester en wethouders gesteld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot handhaving van de bestaande groenstrook noodzaken. In dit verband wordt gewezen op de omstandigheid dat het aan de groenstrook grenzend openbaar voetpad blijft bestaan.
2.7. De Afdeling stelt voorop dat met het bestaan van de door het college goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als gegeven mag worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Niet in geschil is dat aan deze voorwaarden is voldaan.
Het voorgaande neemt niet weg dat de vaststelling van een wijzigingsplan een bevoegdheid betreft en geen plicht. Dat aan de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, neemt niet weg dat op het college de plicht rust om in de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan na te gaan of uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.
De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemmingswijziging, voor zover aangevochten, niet zal leiden tot een ernstige aantasting van hun privacy, uitzicht en woon- en leefklimaat. De Afdeling neemt daarbij mede in aanmerking dat de woningen in een stedelijke omgeving liggen en dat de bij het wijzigingsplan mogelijk gemaakte afstand tussen het bouwvlak van de voorziene woningen en de perceelsgrens met [appellant] en anderen minimaal ongeveer 12 meter bedraagt. Voorts bood het oude plan de erven [belanghebbende] mogelijkheden die in vergelijking een veel grotere invloed op het woon- en leefklimaat zouden hebben.
2.7.1. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand worden gelaten.
2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 22 april 2009, kenmerk 2009-005758;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.