Uitspraak
200606140/1, heeft de Afdeling, naar aanleiding van het daartegen door het dagelijks bestuur ingestelde hoger beroep, de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Raad van State
Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum legde appellant een last onder dwangsom op om zonder bouwvergunning gerealiseerde bouwwerken op de derde en dakverdieping van een pand te verwijderen. Appellant maakte bezwaar en stelde zich op het standpunt dat sprake was van bouwovergangsrecht en dat de wijzigingen bouwtechnisch noodzakelijk waren. De rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
De Raad van State stelde vast dat appellant aannemelijk had gemaakt dat de woonvoorzieningen op de peildatum aanwezig waren en dat de wijzigingen na die datum niet de afwijking van het bestemmingsplan naar aard en omvang hadden vergroot. Tevens oordeelde de Raad dat appellant met goedgekeurde constructietekeningen en overleg met de bouwinspecteur bouwtechnisch gerechtvaardigd had afgeweken van de verleende vergunning. Het dagelijks bestuur had dit niet voldoende gemotiveerd weerlegd.
De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank voor zover de rechtsgevolgen van het besluit in stand waren gelaten en veroordeelde het dagelijks bestuur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd het hoger beroep van appellant gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot handhaving wordt vernietigd.