ECLI:NL:RVS:2009:BK1957
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.M. Woestenburg-Bertels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verlening Nederlanderschap wegens ontbreken geldige verblijfsvergunning
De appellant verzocht om verlening van het Nederlanderschap, maar dit verzoek werd door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie afgewezen omdat hij niet beschikte over een geldige verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter. De staatssecretaris had zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken en hem later een vergunning op grond van de Pardonregeling voor bepaalde tijd aangeboden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellant stelde dat de staatssecretaris misbruik van bevoegdheid had gemaakt door zijn verblijfsvergunning in te trekken en hem niet tijdig een nieuwe vergunning aan te bieden, waardoor ten tijde van de besluiten geen bedenkingen tegen zijn verblijf zouden bestaan.
De Raad van State overwoog dat de naturalisatieprocedure niet bedoeld is om zelfstandig te onderzoeken of iemand in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning en dat het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter leidt tot bedenkingen tegen het verblijf. Omdat appellant ten tijde van de besluiten niet over een dergelijke vergunning beschikte, was de afwijzing terecht. Ook bood artikel 10 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap geen grond voor afwijking.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap bevestigd.