AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep ongegrond tegen goedkeuring bestemmingsplan Zandweerd-Zuid zonder winkelbestemming
Het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft op 24 maart 2009 besloten het bestemmingsplan "Zandweerd-Zuid" van de gemeente Deventer goed te keuren. Appellante stelde beroep in tegen dit besluit omdat het plan de vestiging van een winkel op haar perceel niet meer toestaat, terwijl zij plannen had om binnen vijf jaar een winkel te openen.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vastgesteld dat het college het plan heeft goedgekeurd met het oog op het gemeentelijke detailhandelsbeleid, dat gericht is op concentratie en clustering van winkels op aangewezen locaties, en het tegengaan van verspreide detailhandelsvestigingen. Het college heeft terecht geoordeeld dat appellante geen concrete plannen had voor een winkel en dat het eerdere beleid uit 1984 niet meer relevant is.
De Afdeling oordeelt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het besluit niet onrechtmatig is voorbereid of genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan zonder winkelbestemming wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
200903628/1/R2.
Datum uitspraak: 4 november 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deventer (hierna: de raad) bij besluit van 17 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Zandweerd-Zuid" (hierna: het plan).
Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2009, beroep ingesteld.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door L.B. Versnel, is verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. S. Klaver en mr. J.H.W. Bogers, ambtenaren in dienst van de gemeente, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
2.2. Het plan voorziet in een actualisatie van het voorheen geldende planologisch regime voor het gebied Zandweerd-Zuid.
2.3. [appellante] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie]. Hierdoor vervalt de voorheen geldende mogelijkheid hier een winkel te vestigen. Volgens [appellante] zijn er steeds plannen voor een winkel op dit perceel geweest en is zij thans voornemens een winkel te vestigen binnen een periode van ongeveer vijf jaar. Ook is van belang dat de raad in de vorige bestemmingsplanprocedure in 1984 wel rekening heeft gehouden met haar enkele wens een winkel op het perceel te vestigen, aldus [appellante].
2.4. In het bestreden besluit stelt het college zich op het standpunt dat het plan ertoe strekt de bestaande planologische situatie vast te leggen. Volgens het college heeft [appellante] op het perceel [locatie] geen winkel gevestigd en heeft zij evenmin concrete plannen hiertoe op korte termijn. Dat het perceel [locatie] voorheen mede een winkelbestemming had, betekent volgens het college niet dat deze bestemming thans moet terugkomen. Voorts voert het college aan dat het gemeentelijke beleid erop is gericht om nieuwe detailhandelsvoorzieningen aan de Boxbergerweg te concentreren en te clusteren.
2.5. In de nota "Structuurvisie detailhandel" van februari 2004
(hierna: de nota) is het gemeentelijke beleid neergelegd ten aanzien van de ontwikkeling van de detailhandelsstructuur binnen de gemeente. Volgens de nota is op hoofdlijnen gekeken naar de detailhandelsstructuur. In de nota staat dat het beleid gericht is op het behouden en versterken van de opbouw van de huidige detailhandelsstructuur op buurt-, wijk- en stedelijk niveau. Het beleid ziet onder meer op het tegengaan van de verspreiding van afzonderlijke winkels en het concentreren en clusteren van winkels op de daarvoor aangewezen locaties.
2.6. De Afdeling overweegt dat uit de nota volgt dat het gemeentelijke beleid ten aanzien van de ontwikkeling van de detailhandelsstructuur van toepassing is op het gemeentelijke grondgebied en dat niet is gebleken dat de Radstakeweg hiervan is uitgezonderd. Voor de toepassing van het gemeentelijke beleid is, anders dan [appellante] heeft gesteld, niet vereist dat deze straat afzonderlijk in de nota wordt genoemd.
Niet in geschil is dat de planregeling de vestiging van een winkel op het perceel [locatie], anders dan voorheen, niet mogelijk maakt. De Afdeling overweegt hieromtrent dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Het college heeft de vestiging van een winkel op het perceel [locatie] terecht in strijd geacht met het huidige gemeentelijke beleid om verspreid liggende winkels tegen te gaan en om deze te concentreren in de daarvoor aangewezen gebieden. Het college heeft voorts in redelijkheid kunnen instemmen met het standpunt van de raad om in de situatie van [appellante] aan dat beleid vast te houden. Het college heeft met de raad van belang kunnen achten dat [appellante] geen winkel heeft gevestigd op het perceel [locatie]. Daarbij komt dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van het nemen van het bestreden besluit concrete plannen had voor de vestiging van een winkel op het perceel. Verder kan zij aan de omstandigheid dat de raad in 1984 op grondslag van haar enkele wens planologische medewerking heeft verleend aan het behoud van de voormalige winkelbestemming geen rechten ontlenen. Het gemeentelijke detailhandelsbeleid is sedertdien immers relevant gewijzigd.
2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
2.8. Het beroep is ongegrond.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.