AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering omzetting voorwaardelijke toevoeging in definitieve toevoeging door raad voor rechtsbijstand
Bij besluit van 27 september 2006 weigerde de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden de omzetting van een voorwaardelijke toevoeging in een definitieve toevoeging aan appellant. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep van appellant tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond.
Appellant stelde dat hij niet in verzuim was, omdat hij ervan uitging dat zijn voormalige gemachtigde tijdig bezwaar zou maken en dat de besluiten ten onrechte op naam van zijn zoon waren gesteld. De rechtbank oordeelde echter dat de gevolgen van nalatigheden van een gemachtigde voor rekening van de vertegenwoordigde komen en dat de vermelding van de geboortedatum van de zoon op de besluiten niet leidt tot het oordeel dat appellant niet begreep dat de besluiten aan hem waren gericht.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200900994/1/H2.
Datum uitspraak: 4 november 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 december 2008 in zaak nr. 07/2805 in het geding tussen:
appellant
en
de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 september 2006 heeft de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (hierna: de raad) geweigerd de aan [appellant] verleende voorwaardelijke toevoeging om te zetten in een definitieve.
Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 22 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 30 januari 2009, hoger beroep ingesteld. Op 4 februari 2009 heeft de rechtbank deze stukken ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door zijn [zoon], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Hamer, medewerker unit kwaliteit bij de raad, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 6:11 blijftPro ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.2. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de raad het door hem gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest, nu hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn voormalige gemachtigde namens hem tijdig bezwaar zou maken en de voorwaardelijke toevoeging, alsmede de weigering van de definitieve, ten onrechte op naam waren gesteld van zijn zoon.
2.2.1. Dat betoog faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen komen de gevolgen van mogelijke nalatigheden van een gemachtigde voor rekening van de vertegenwoordigde. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de enkele omstandigheid dat op de voorwaardelijke toevoeging alsmede de weigering van de definitieve de geboortedatum van [zoon] is vermeld geen aanleiding geeft om aan te nemen dat [appellant] niet heeft begrepen dat deze besluiten aan hem waren gericht.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Meurs-Heuvel