Appellant heeft bij besluit van 19 december 2006 een verzoek tot naturalisatie ingediend dat is afgewezen door de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de toepassing van artikel 8 vanPro de Rijkswet op het Nederlanderschap, waarin is bepaald dat een verzoeker die ten minste drie jaren voorafgaand aan het verzoek onafgebroken met een Nederlandse echtgenoot samenwoont, kan worden vrijgesteld van de vijfjaarstoets. Appellant stelde dat hij sinds zijn huwelijk in 2001 onafgebroken samenwoonde met zijn Nederlandse echtgenote.
De Raad van State overwoog dat uit het bevolkingsregister bleek dat appellant zich pas in april 2003 op hetzelfde adres als zijn echtgenote had ingeschreven, terwijl hij daarvoor op een ander adres stond ingeschreven. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij desondanks eerder samenwoonde met zijn echtgenote. Beweringen over constatering van samenwoning door derden werden niet onderbouwd. Daarom was de afwijzing van het verzoek om naturalisatie terecht en werd het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om naturalisatie bevestigd.
Uitspraak
200900502/1/V6.
Datum uitspraak: 4 november 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 december 2008 in zaak nr. 08/648 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2006 heeft de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 10 december 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 30 december 2008, verzonden op 31 december 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN), komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechtsPro in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba toelating en hoofdverblijf heeft.
Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, geldt dat vereiste niet met betrekking tot de verzoeker die sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander.
In de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003, toegespitst op het gebruik in Aruba, is vermeld dat de samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in het Bevolkingsregister en dat, indien de samenwoning niet afdoende blijkt uit het Bevolkingsregister, de verzoeker de samenwoning dient te bewijzen door middel van andere bewijsstukken.
2.2. Niet in geschil is dat voorafgaande aan het verzoek, dat op 13 december 2004 is ingediend, geen sprake is geweest van vijf jaren onafgebroken toelating en hoofdverblijf in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN.
2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 8, tweede lid, van de RWN, aangezien hij niet drie jaren voorafgaande aan zijn verzoek om naturalisatie onafgebroken met zijn echtgenote heeft samengewoond.
2.3.1. [appellant] is sinds 30 november 2001 gehuwd met [echtgenote], die de Nederlandse nationaliteit heeft.
Uit door [appellant] overgelegde informatie uit het Bevolkinsgregister van Aruba blijkt dat [appellant] zich eerst op 1 april 2003 heeft ingeschreven op het adres [locatie 1], op welk adres zijn echtgenote sinds 24 augustus 1987 staat ingeschreven. Uit die informatie blijkt voorts dat [appellant] van 23 januari 2001 tot 1 april 2003 in het Bevolkingsregister op het adres [locatie 2] ingeschreven heeft gestaan. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, ondanks de inschrijving in het Bevolkingsregister op een ander adres dan dat van zijn echtgenote, hij en zijn echtgenote ook al in de periode van 13 december 2001 tot 1 april 2003 samenwoonden. De enkele stelling dat [appellant] was vergeten zich op het adres [locatie 1] te laten inschrijven is in dit verband onvoldoende. Dat een sociaal werkster en een ambtenaar van het Ministerie van Justitie zouden hebben geconstateerd dat [appellant] en zijn echtgenote eerder dan sedert april 2003 samenwoonden, kan [appellant] evenmin baten, reeds omdat door [appellant] niet is vermeld wanneer en op welke wijze dat is geconstateerd.
De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat, gezien de datum van inschrijving op het adres [locatie 1], de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet drie jaren voorafgaande aan zijn verzoek om naturalisatie onafgebroken met zijn Nederlandse echtgenote heeft samengewoond, zodat hij niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 8, tweede lid, van de RWN.
Het betoog faalt.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.