ECLI:NL:RVS:2009:BK1983
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- T.M.A. Claessens
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek naturalisatie wegens ontbreken onafgebroken samenwoning
Appellant heeft bij besluit van 19 december 2006 een verzoek tot naturalisatie ingediend dat is afgewezen door de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de toepassing van artikel 8 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap, waarin is bepaald dat een verzoeker die ten minste drie jaren voorafgaand aan het verzoek onafgebroken met een Nederlandse echtgenoot samenwoont, kan worden vrijgesteld van de vijfjaarstoets. Appellant stelde dat hij sinds zijn huwelijk in 2001 onafgebroken samenwoonde met zijn Nederlandse echtgenote.
De Raad van State overwoog dat uit het bevolkingsregister bleek dat appellant zich pas in april 2003 op hetzelfde adres als zijn echtgenote had ingeschreven, terwijl hij daarvoor op een ander adres stond ingeschreven. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij desondanks eerder samenwoonde met zijn echtgenote. Beweringen over constatering van samenwoning door derden werden niet onderbouwd. Daarom was de afwijzing van het verzoek om naturalisatie terecht en werd het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om naturalisatie bevestigd.