ECLI:NL:RVS:2009:BK2262
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- B. van Wagtendonk
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Vernietiging onrechtmatige hernieuwde vreemdelingenbewaring wegens ontbreken gewijzigde omstandigheden
De vreemdeling was aanvankelijk op 13 maart 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 21 augustus 2009 bepaalde de rechtbank dat de bewaring onrechtmatig was wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting en hevelde de maatregel op. De staatssecretaris stelde de vreemdeling diezelfde dag opnieuw in bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling voerde aan dat er geen gewijzigde omstandigheden waren die een hernieuwde bewaring rechtvaardigden.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het concrete vluchtakkoord van 21 augustus 2009 een gewijzigde omstandigheid vormde, maar de Raad van State stelde vast dat op 20 augustus 2009 al bekend was dat de vreemdeling op korte termijn zou worden uitgezet. Dit maakte het vluchtakkoord niet tot een nieuwe omstandigheid. De maatregel van 21 augustus 2009 was daardoor van meet af aan onrechtmatig.
Ook de hernieuwde inbewaringstelling van 16 september 2009 was onrechtmatig omdat geen nieuwe omstandigheden waren die dit rechtvaardigden. De Raad van State vernietigde de uitspraken van de rechtbank, verklaarde de beroepen van de vreemdeling gegrond, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven. Tevens werd een schadevergoeding van €4880 toegekend en proceskosten van €2047 aan de vreemdeling toegewezen.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de hernieuwde inbewaringstelling wegens het ontbreken van gewijzigde omstandigheden en beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met toekenning van schadevergoeding.