Art. 15 Afvalstoffenverordening Rotterdam 2008Art. 9 lid 2 Afvalstoffenverordening Rotterdam 2008Art. 6 Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen gemeente RotterdamArt. 5:25 lid 1 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond verklaring beroep tegen kosten bestuursdwang inzameling huishoudelijk afval
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft op 3 oktober 2008 bestuursdwang toegepast door het verwijderen van een vuilniszak die naast de kliko van appellante was geplaatst. Deze vuilniszak bevatte post met naam en adres van appellante, wat leidde tot de conclusie dat zij de afvalstoffen niet op de voorgeschreven wijze had aangeboden.
Appellante voerde aan dat zij haar afval altijd correct aanbiedt en vermoedde dat derden de vuilniszak naast haar kliko hadden geplaatst, mogelijk door omwisseling of door omwaaien van de kliko. Zij stelde dat het college verantwoordelijk is voor een goede inzameling en dat zij niet verplicht is haar kliko te bewaken.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante onvoldoende feiten had aangevoerd om het standpunt van het college te weerleggen. Het college mocht de kosten van bestuursdwang (€ 59,00) redelijkerwijs aan appellante toerekenen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het opleggen van kosten voor bestuursdwang inzake verkeerd aangeboden huishoudelijk afval wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
200901352/1/M1.
Datum uitspraak: 11 november 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 3 oktober 2008 jegens [appellante] bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 27 januari 2009 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2009, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2009, waar [appellante], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. el Fizazi en V. van Beek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2008 (hierna: de Afvalstoffenverordening 2008) is, indien voor de gebruiker van een perceel voor een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen krachtens artikel 9, tweede lid, een inzamelmiddel is aangewezen, het voor die gebruiker verboden de betreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via het daartoe aangewezen inzamelmiddel.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen gemeente Rotterdam (hierna: het Uitvoeringsbesluit) moet het overdragen of aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen in vuilniszakken of minicontainers ordelijk geschieden door plaatsing daarvan op een krachtens bijlage 5 (Inzameldagenboek) vastgestelde inzameldag, op een voor de inzamelvoertuigen toegankelijke plaats.
2.2. De toepassing van bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een vuilniszak met huishoudelijke afvalstoffen, die op woensdag 3 oktober 2008 is aangetroffen op de openbare weg naast een minicontainer (hierna: kliko) gelegen aan de Hoogenwaardstraat ter hoogte van de hoek Ziedewijstraat. Volgens het college zijn deze huishoudelijke afvalstoffen, blijkens daarin aangetroffen materiaal met naam- en adresgegevens van [appellante], afkomstig van [appellante] en heeft zij deze in strijd met artikel 15 vanPro de Afvalstoffenverordening 2008 ter inzameling aangeboden. Bij het bestreden besluit heeft het college het besluit van 4 december 2008 gehandhaafd.
2.3. [appellante] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aangetroffen huishoudelijke afvalstoffen door haar buiten de kliko ter inzameling zijn aangeboden. Zij stelt dat zij haar huishoudelijke afvalstoffen altijd op de voorgeschreven wijze aanbiedt. Zij vermoedt dat haar kliko is geopend en dat derden hun vuilniszak met haar, naast de kliko aangetroffen vuilniszak hebben omgewisseld om zodoende sancties te vermijden. [appellante] wijst er nog op dat bij het omwaaien van een kliko er slechts een vuilniszak vrijkomt, zodat ook dit een verklaring zou kunnen zijn voor de naast de kliko aangetroffen vuilniszak. [appellante] stelt dat het de verantwoordelijkheid van het college is te zorgen voor een goede inzameling van correct aangeboden huisvuil. Volgens [appellante] kan van haar niet worden verlangd haar kliko in de gaten te houden totdat deze zal zijn geleegd door de inzameldienst.
2.4. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de overtreder de kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
2.5. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die afvalstoffen in een kliko ter inzameling aanbiedt om dit op de in de Afvalstoffenverordening 2008 en het Uitvoeringsbesluit voorgeschreven wijze te doen. Niet in geschil is dat in de op 3 oktober 2008 naast de kliko op de openbare weg aangetroffen vuilniszak post is aangetroffen waarop de naam en het adres van [appellante] zijn vermeld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot het oordeel dat het college haar ten onrechte als overtreder van artikel 15, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2008 in samenhang met artikel 6 vanPro het Uitvoeringsbesluit heeft aangemerkt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de kosten die gemoeid zijn met het onverwijld toepassen van bestuursdwang in redelijkheid ten laste van [appellante] kunnen laten komen.
2.6. Het beroep is ongegrond.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.