AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen locatie ondergrondse afvalcontainer na intrekking en herroeping besluit
Het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht stelde op 15 juli 2008 een locatie vast voor een ondergrondse afvalcontainer. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat bij besluit van 17 december 2008 ongegrond werd verklaard. Appellant stelde beroep in bij de Raad van State. Tijdens de procedure trok het college het besluit van 17 december 2008 in en verklaarde het bezwaar alsnog gegrond, waarna het oorspronkelijke besluit werd herroepen voor zover het de locatie betrof.
Appellant kon zich verenigen met de nieuwe locatie die het college op 12 oktober 2009 had aangewezen. Hierdoor kwam het nieuwe besluit geheel tegemoet aan het beroep, waardoor het beroep niet mede was gericht tegen dit nieuwe besluit. De Raad van State oordeelde dat appellant geen belang meer had bij de beoordeling van het bestreden besluit van 17 december 2008.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, mede omdat het college aan appellant een vergoeding had toegekend voor gemaakte proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 11 november 2009.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het bestreden besluit is ingetrokken en herroepen en appellant zich met de nieuwe locatie verenigt.
Uitspraak
200900388/1/M1
Datum uitspraak: 11 november 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht (hierna: het college) - voor zover te dezen van belang - de locatie nr. 0303 ter hoogte van Rietgors nr. 96 in de wijk Binnenland vastgesteld voor een ondergrondse inzamelvoorziening voor huishoudelijk restafval (hierna: ondergrondse afvalcontainer).
Bij besluit van 17 december 2008 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 februari 2009.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door J. van Geffen, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.A. de Feijter, advocaat te Middelburg, en drs. D.W. van der Burg, zijn verschenen.
De Afdeling heeft ter zitting op verzoek van [appellant] en het college de zaak aangehouden in verband met nader overleg over een nieuw besluit van het college.
Er zijn nog stukken ontvangen van het college en [appellant]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het college het besluit van 17 december 2008 ingetrokken, het bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2008 alsnog gegrond verklaard en dat besluit voor zover het betrekking heeft op de locatie van ondergrondse container nr. 0303 herroepen.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan het college toegezonden.
Met toestemming van partijen is afgezien van verdere behandeling van de zaak ter zitting.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.
Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 vanPro de Awb het beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit geheel aan het beroep tegemoet komt.
2.2. Het beroep van [appellant] is gericht tegen het besluit van 17 december 2008 waarbij het besluit van 15 juli 2008 tot aanwijzing van locatie nr. 0303 voor een ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van Rietgors nr. 96 is gehandhaafd.
Nu met het besluit van 12 oktober 2009 het besluit van 17 december 2008 is ingetrokken en het besluit van 15 juli 2008 is herroepen voor zover het betreft locatie nr. 0303 ter hoogte van Rietgors nr. 96 en [appellant] blijkens zijn brief van 23 oktober 2009 zich kan verenigen met de bij het besluit van 12 oktober 2009 aangewezen nieuwe locatie nr. 0303 bij de parkeerplaats ter hoogte van Rietgors nr. 163, komt het besluit van 12 oktober 2009 geheel tegemoet aan het beroep van [appellant]. Dit betekent dat het beroep van [appellant] niet mede is gericht tegen het besluit van 12 oktober 2009.
2.3. [appellant] wijst er in zijn brief van 23 oktober 2009 op dat een nieuwe situatie ontstaat, indien de bij het besluit van 12 oktober 2009 aangewezen nieuwe locatie nr. 0303 bij de parkeerplaats ter hoogte van Rietgors nr. 163 alsnog wordt gewijzigd.
Indien het college besluit de bij het besluit van 12 oktober 2009 vastgestelde locatie nr. 0303 te wijzigen, kunnen tegen het daartoe strekkende besluit rechtsmiddelen worden aangewend.
2.4. Mede in aanmerking genomen de brief van [appellant] van 23 oktober 2009 is niet gebleken dat de [appellant] nog belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 17 december 2008.
2.5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Hierbij is mede in aanmerking genomen, dat het college bij het besluit van 12 oktober 2009 aan [appellant] een vergoeding heeft toegekend ter hoogte van de volgens zijn opgave in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. Overigens heeft het college ook het door [appellant] betaalde griffierecht vergoed.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.