ECLI:NL:RVS:2009:BK3326
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende voortvarendheid bij vreemdelingenbewaring ondanks directe asielaanvraag
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage die de vreemdelingenbewaring van een vreemdeling heeft opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzettingshandelingen.
De staatssecretaris voerde aan dat het ontbreken van tijdsverloop tussen de wens van de vreemdeling om een asielaanvraag in te dienen en de feitelijke ondertekening daarvan juist wijst op voortvarendheid. Tevens stelde hij dat er wel degelijk uitzettingshandelingen hadden plaatsgevonden, zoals een eerste gehoor en een Dublingehoor op Schiphol.
De Raad van State oordeelde dat het ontbreken van tijdsverloop niet automatisch betekent dat aan de vereiste voortvarendheid is voldaan. Daarnaast oordeelde de Raad dat de staatssecretaris deze gehoren niet tijdig had ingebracht in de procedure bij de rechtbank, waardoor deze niet in aanmerking konden worden genomen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens onvoldoende voortvarendheid.