Uitspraak
200606162/1.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad weigerde handhavend op te treden tegen een speelinrichting en het voetballen door jeugd op een perceel met bestemming 'Verblijfsdoeleinden groen'. Appellanten, omwonenden, maakten bezwaar tegen deze besluiten en stelden dat het college ten onrechte hun bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk had verklaard en dat het gebruik van het perceel door voetballende jongeren in strijd was met het bestemmingsplan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het college onterecht het bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het besluit tot plaatsing van de speelinrichting een besluit is waartegen bezwaar mogelijk is. De Afdeling vernietigt daarom dat deel van het besluit en verklaart het bezwaar gegrond.
Ten aanzien van het voetballen door jeugd oordeelt de Afdeling dat dit gebruik als spel moet worden beschouwd en niet als sportbeoefening in strijd met de bestemming, zodat het college terecht geen handhavend optreden verrichtte. De Afdeling bevestigt dit deel van de uitspraak en bepaalt dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellanten vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is vernietigd en gegrond verklaard, het overige is bevestigd.