Art. 4 lid C onder 1 bestemmingsplan Den HoornArt. 8:69 AwbArt. 8:73 AwbArt. 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak rechtbank en afwijzing beroep tegen weigering bouwvergunning Texel
Het college van burgemeester en wethouders van Texel weigerde op 25 september 2007 een vrijstelling en bouwvergunning voor het veranderen en vergroten van een woonhuis aan een locatie te Texel. Tegen dit besluit maakte de wederpartij bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank Alkmaar verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond, vernietigde het bezwaarbesluit en bepaalde dat het college een nieuw besluit moest nemen, maar wees het verzoek om schadevergoeding af.
Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden door te oordelen over de motivering van de weigering van vrijstelling op grond van artikel 19 WROPro, terwijl de wederpartij zich alleen had gericht op de kwalificatie van een gevel als zijgevel of achtergevel en niet op de weigering van de vrijstelling zelf.
De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af omdat daarvoor geen grondslag bestaat indien het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de bouwvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitspraak
200902813/1/H1.
Datum uitspraak: 18 november 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Texel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 maart 2009 in zaak nr. 08/125 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Texel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Texel (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het veranderen/vergroten van een woonhuis aan de [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 18 december 2007, verzonden 21 december 2007, heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 maart 2009, verzonden op 5 maart 2009, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 (lees: 18) december 2007 vernietigd, bepaald dat het college een nieuw besluit neemt op het bezwaar van [wederpartij], en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2009, hoger beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Witte, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor het bouwplan geen vrijstelling op grond van artikel 19 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) wordt verleend, buiten de grenzen van het geschil is getreden. Het college voert hiertoe aan dat het beroep van [wederpartij] slechts is gericht tegen het standpunt van het college dat de gevel, die met F is aangeduid op de tekening die als bijlage 2 bij het beroepschrift van 3 januari 2008 is gevoegd, een zijgevel is, zodat voor het bouwplan geen vrijstelling krachtens artikel 4, lid C, aanhef en onder 1, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Den Hoorn" kan worden verleend.
2.1.1. Dit betoog slaagt. In het beroepschrift van 3 januari 2008 heeft [wederpartij], afgezien van een verzoek om het toekennen van schadevergoeding, de rechtbank slechts verzocht te beslissen "dat gevel F moet worden aangemerkt als een deel van de achtergevel zodat met toepassing van de vrijstellingsregeling van het bestemmingsplan de gevraagde bouwvergunning moet worden verleend." In dit beroepschrift is geen grond te vinden die door middel van het aanvullen van rechtsgronden als bedoeld in 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden uitgelegd als gericht tegen de weigering van het college vrijstelling krachtens artikel 19 vanPro de WRO te verlenen.
Voorts heeft [wederpartij] bij brief van 29 december 2008 aan de rechtbank medegedeeld dat hij niet aanwezig zal zijn bij de behandeling van het beroep ter zitting en derhalve schriftelijk een reactie wil geven op het verweerschrift van het college. Ook in deze brief is geen zinsnede te vinden die kan worden aangemerkt als een beroepsgrond, gericht tegen de weigering van het college vrijstelling krachtens artikel 19 vanPro de WRO te verlenen.
De rechtbank was evenmin gehouden ambtshalve te beoordelen of deze weigering voldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Derhalve heeft de rechtbank, door te overwegen dat deze weigering onvoldoende is gemotiveerd, de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil, zoals deze in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb worden getrokken, niet op juiste wijze in acht genomen.
2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 december 2007 van het college alsnog ongegrond verklaren. De Afdeling zal tevens het door [wederpartij] ingediende verzoek om schadevergoeding als bedoeld in 8:73, eerste lid, van de Awb afwijzen, reeds omdat deze bepaling daarvoor geen grondslag biedt, ingeval het beroep ongegrond is.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 maart 2009 in zaak nr. 08/125;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.