ECLI:NL:RVS:2009:BK4364

Raad van State

Datum uitspraak
25 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200902039/1/H2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. Konijnenbelt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Wet op de huurtoeslagArt. 7 lid 3 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingenArt. 47 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingenArt. 9 lid 1 Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingenArt. 5.2 Wet inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing huurtoeslag 2006 wegens overschrijding inkomensgrens

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van de Belastingdienst om haar huurtoeslag over 2006 definitief vast te stellen op nul euro, vanwege een overschrijding van de inkomensgrens met €54. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de toepasselijke wettelijke regeling, de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de Uitvoeringsregeling, geen ruimte bieden om artikel 7, derde lid, van de Awir buiten toepassing te laten, behalve in de in de Uitvoeringsregeling genoemde gevallen. De geringe overschrijding van de inkomensgrens leidt niet tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Daarnaast oordeelde de Afdeling dat de door appellante aangevoerde strijd met de Algemene wet gelijke behandeling en de Grondwet niet slaagt, omdat de regeling niet discrimineert en de draagkrachtverschillen niet onrechtmatig worden behandeld. Ook kon de Afdeling niet ingaan op het verzoek om de minister van Financiën te verzoeken een maatregel te treffen, omdat dit buiten het geding valt en de minister geen partij is.

Het hoger beroep is derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de huurtoeslag 2006 is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200902039/1/H2.
Datum uitspraak: 25 november 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 februari 2009 in zaak nr. 08/975 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 november 2007 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst) de aan [appellante] verleende huurtoeslag 2006 definitief vastgesteld op € 0,00.
Bij besluit van 15 mei 2008 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 februari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 april 2009.
De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. B.M.A. van Eck, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag zoals dit luidde ten tijde van belang, is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.
Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), bestaat, indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, geen aanspraak op een tegemoetkoming indien bij de belanghebbende over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstellingen bedoeld in afdeling 5.3 en 5.3A van die wet.
Ingevolge artikel 47 kan Pro bij ministeriële regeling een van deze wet afwijkende maatregel worden getroffen voor groepen gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dat is de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling) Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling, blijft artikel 7, derde lid, van de Awir op verzoek van de belanghebbende buiten toepassing ten aanzien van degene bij wie over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen indien de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou worden verminderd met de in dit lid genoemde bezittingen en uitkeringen.
2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij over het jaar 2006 geen recht op huurtoeslag heeft. [appellante] voert daartoe aan dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 47 van Pro de Awir, nu haar inkomen in 2006 de toepasselijke inkomensgrens met slechts € 54 overschrijdt en dit tot gevolg heeft dat zij de huurtoeslag geheel misloopt. Volgens haar is dat in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet gelijke behandeling, alsmede met artikel 1 van Pro de Grondwet, nu de regeling niet voorziet in een glijdende schaal.
2.2.1. Het betoog faalt. Bij de uitvoeringsregeling, een algemeen verbindend voorschrift, is een regeling getroffen voor groepen gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde lid, van de Awir leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Buiten de in de Uitvoeringsregeling opgesomde gevallen bestaat geen bevoegdheid tot het buiten toepassing laten van artikel 7, derde lid, van de Awir. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is niet in geschil dat [appellante] er over het jaar 2006 geen aanspraak op kan maken dat artikel 7, derde lid, van de Awir buiten toepassing blijft ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. Dat de overschrijding van de inkomensgrens slechts € 54 bedraagt, maakt dit niet anders, nu dit geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert als bedoeld in artikel 47 van Pro de Awir, gelezen in samenhang met artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de van toepassing zijnde bepalingen uit de Awir en de Uitvoeringsregeling ertoe leiden dat [appellante] over het jaar 2006 geen recht heeft op huurtoeslag.
Voor zover [appellante] aanvoert dat de Uitvoeringsregeling in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling, overweegt de Afdeling dat het toepassingsbereik van die wet wordt bepaald door de artikelen 5 tot en met 7 en 7a. De artikelen 5, 6 en 6a hebben betrekking op het terrein van arbeid en het vrije beroep; dat is niet aan de orde. Artikel 7 betreft Pro het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten, loopbaanoriëntatie en advisering en beroepskeuze. Uit de wetsgeschiedenis en uit het stelsel van de wet - in het bijzonder het verband tussen de artikelen 7 en 7a - moet worden afgeleid dat het verlenen van huurtoeslagen hier niet onder valt. Artikel 7a, betreffende sociale bescherming met inbegrip van sociale zekerheid en sociale voordelen, is wel van toepassing; op dit terrein verbiedt de wet echter alleen discriminatie op grond van ras. De Afdeling concludeert dat er geen sprake is van strijd met de Algemene wet gelijke behandeling.
De wijze waarop artikel 7, derde lid, van de Awir, gelezen in samenhang met de Uitvoeringsregeling, de draagkrachtgrenzen en de gevolgen daarvan bepaalt, levert evenmin strijd op met artikel 1 van Pro de Grondwet, nu degenen wier draagkracht verschilt niet als "gelijke gevallen" in de zin van die bepaling kunnen worden aangemerkt, en uit artikel 1 niet Pro volgt dat de gevolgen van verschillen in draagkracht door middel van een meer glijdende schaal tot uitdrukking zouden moeten worden gebracht dan is gebeurd in de Uitvoeringsregeling, zoals [appellante] heeft betoogd.
2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de minister van Financiën niet verzocht heeft met toepassing van artikel 47 van Pro de Awir maatregelen te treffen die tegemoetkomen aan haar onbillijke situatie. Zij stelt zich daarbij op het standpunt dat de uitvoeringsregeling niet limitatief is en de minister van Financiën partij is in het onderhavige geschil.
2.4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat aan dat verzoek geen gehoor kon worden gegeven, omdat het buiten de omvang van het geding valt. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de minister van Financiën geen partij is in dit geding. De bevoegdheid om te beslissen in zaken betreffende de huurtoeslag ligt ingevolge artikel 1a van de Wet op de huurtoeslag bij de Belastingdienst. Reeds daarom kan aan het verzoek van [appellante] tot het treffen van een voorziening door de Afdeling evenmin gehoor worden gegeven.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Van Meurs-Heuvel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009
47-616.