Uitspraak
200507695/1en de uitspraak van 26 april 2006 in zaak nr.
200507184/1), gaat de invulling die in paragraaf 2.1 van de circulaire aan de term betrouwbaarheid is gegeven de grenzen van redelijke wetstoepassing niet te buiten.
Raad van State
De korpschef van de politieregio Zaanstreek-Waterland trok de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden van appellant in op grond van een onherroepelijke veroordeling tot een geldboete wegens rijden onder invloed. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna ook de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde dat het strafbare feit geen verband hield met zijn werkzaamheden en dat de intrekking disproportioneel was, onder meer vanwege de financiële gevolgen en het gelijkheidsbeginsel. De korpschef baseerde zich op de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) en de daarbij behorende circulaire en beleidsregel, die betrouwbaarheid als criterium stellen.
De Raad van State oordeelde dat de intrekking een bestuurlijke maatregel is en geen strafrechtelijke sanctie. De korpschef had beoordelingsvrijheid en mocht de betrouwbaarheid ontzeggen op grond van de veroordeling. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het gelijkheidsbeginsel faalde. De intrekking was proportioneel en noodzakelijk voor de veiligheid en het vertrouwen in de beveiligingsbranche. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wegens een geldboete voor rijden onder invloed wordt bevestigd.