ECLI:NL:RVS:2009:BK6180
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep ongewenstverklaarde vreemdeling inzake ambtshalve aanbod
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank die zijn beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Het beroep richtte zich tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie om geen ambtshalve aanbod te doen op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling ongewenst was verklaard en derhalve geen belang zou hebben bij een beoordeling zolang de ongewenstverklaring voortduurde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat een vreemdeling aan wie ambtshalve een aanbod wordt gedaan daarmee nog geen rechtmatig verblijf verkrijgt; rechtmatig verblijf ontstaat pas met de verlening van de verblijfsvergunning nadat de ongewenstverklaring is opgeheven.
Daarom staat het rechtsgevolg van artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in de weg aan het belang van de vreemdeling bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit op bezwaar tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug aan de rechtbank voor verdere behandeling. Tevens worden de proceskosten vastgesteld en het betaalde griffierecht terugbetaald.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.