ECLI:NL:RVS:2009:BK6692

Raad van State

Datum uitspraak
8 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200908214/2/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • J. Willems
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken voorlopige voorziening bouwvergunning paardenfokstal en ligboxenstal

Het college van burgemeester en wethouders van Loenen weigerde bouwvergunningen voor het vergroten van een werktuigberging met een paardenfokstal en het oprichten van een tussenbouw ligboxenstal-potstal op een perceel te Loenen. Wederpartij maakte bezwaar tegen deze besluiten, die door het college en later door de gemeenteraad werden afgewezen en bekrachtigd.

De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van wederpartij gegrond, vernietigde de besluiten en beval het college nieuwe besluiten te nemen binnen zes weken. Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om opschorting van de verplichting tot het nemen van nieuwe besluiten, terwijl wederpartij verzocht om een dwangsom om het college te dwingen vergunningen te verlenen.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat er geen reden was om de uitspraak van de rechtbank Utrecht op voorhand niet te bevestigen en dat het college de nieuwe besluiten moest nemen in het kader van een effectieve geschilbeslechting. Het verzoek tot opschorting en het verzoek tot dwangsom werden daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorzieningen worden afgewezen en het college dient nieuwe besluiten te nemen conform de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

200908214/2/H1.
Datum uitspraak: 8 december 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken van het college van burgemeester en wethouders van Loenen en [wederpartij], wonend te [woonplaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Loenen,
appellant
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 september 2009 in de zaken nrs. 08/2954 en 08/2956 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 9 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loenen (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunningen te verlenen voor het vergroten van een werktuigberging met een paardenfokstal en het oprichten van een tussenbouw ligboxenstal-potstal op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij onderscheiden besluiten van 26 augustus 2008 heeft het college de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij onderscheiden besluiten van 9 juni 2009 heeft de raad van de gemeente de besluiten van 26 augustus 2008, voor zover daarbij vrijstellingen zijn geweigerd, bekrachtigd en de motivering ervan nader aangevuld.
Bij uitspraak van 15 september 2009, verzonden op 17 september 2009, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, al die besluiten vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 november 2009. Voorts heeft het de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2009, heeft ook [wederpartij] de voorzitter verzocht zodanige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 26 november 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.J. de Smet, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. C.P. van Eeghen, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De bouwplannen betreffen volgens [wederpartij] bouwwerken ten behoeve van een paardenfokkerij. Volgens de rechtbank heeft het college een paardenfokkerij ten onrechte in strijd met de op het perceel rustende agrarische bestemming geacht en de gevraagde bouwvergunningen om die reden geweigerd en heeft het ten onrechte niet onderzocht of met de bouwplannen beoogd is een reëel agrarisch bedrijf op het perceel te exploiteren.
2.2. Het college heeft verzocht de uit de uitspraak voortvloeiende verplichting om nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren te nemen hangende het door hem ingestelde hoger beroep op te schorten. Dat verzoek zal worden afgewezen. Er is thans geen reden om op voorhand aan te nemen dat de aangevallen uitspraak niet voor bevestiging in aanmerking komt en uit een oogpunt van effectieve geschilbeslechting is onder die omstandigheden wenselijk dat het college nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt, opdat die kunnen worden betrokken bij de behandeling van het hoger beroep.
2.3. [wederpartij] heeft verzocht het college op te dragen binnen tien dagen bouwvergunningen te verlenen, althans op straffe van verbeurte van een dwangsom te besluiten, als door de rechtbank bepaald. De voorzitter gaat er echter vanuit dat het college thans ook zonder dreiging van een dwangsom binnen twee maanden uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank geeft. Er is thans dan ook geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening.
2.4. Gelet op het voorgaande, moeten de verzoeken worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Willems
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2009
412.