ECLI:NL:RVS:2009:BK6739

Raad van State

Datum uitspraak
11 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200908708/2/H3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking erkenning periodieke voertuigkeuring door RDW

De directie van de Dienst Wegverkeer (RDW) trok op 20 mei 2009 de erkenning van verzoekster voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot 3500 kg voor zes weken in. Dit besluit werd op 1 september 2009 gehandhaafd na bezwaar. Verzoekster stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek op 3 december 2009. De RDW had de intrekking opgeschort tot de beslissing over het verzoek. De intrekking was gebaseerd op het feit dat verzoekster binnen dertig maanden voor de derde keer een overtreding van categorie I had begaan. Eerder had de RDW verzoekster gewaarschuwd en de erkenning voorwaardelijk ingetrokken.

De voorzitter overwoog dat het niet zeker is of de voorwaardelijke intrekking een besluit in de zin van de Awb is en of de eerdere waarschuwing terecht is gegeven. Omdat verzoekster mogelijk onevenredig wordt benadeeld als de intrekking wordt geëffectueerd voordat het hoger beroep is beslist, werd de intrekking geschorst. Tevens werd de RDW veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De intrekking van de erkenning door de RDW is geschorst totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

200908708/2/H3.
Datum uitspraak: 11 december 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd te [plaats], [gemeente],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 november 2009 in de zaken nrs. 09/3085 en 09/3086 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de directie van de Dienst Wegverkeer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2009 heeft de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan [verzoekster] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van zes weken ingetrokken.
Bij besluit van 1 september 2009 heeft de RDW het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit onder aanvulling en verbetering van de motivering gehandhaafd.
Bij uitspraak van 4 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 november 2009.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 december 2009, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. M.W. van Ochten, advocaat te Nijmegen, en de RDW, vertegenwoordigd door N.T.P. Eshuis, werkzaam in haar dienst, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. De RDW heeft bij brief van 13 november 2009 medegedeeld dat de bij het besluit van 1 september 2009 gehandhaafde intrekking van de aan [verzoekster] verleende erkenning is opgeschort totdat de voorzitter op het onderhavige verzoek zal hebben beslist. [verzoekster] heeft de voorzitter verzocht om het besluit tot intrekking van haar erkenning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen totdat de Afdeling op het ingestelde hoger beroep zal hebben beslist.
2.3. Aan het besluit van 1 september 2009 is ten grondslag gelegd dat [verzoekster] binnen een periode van dertig maanden voor de derde maal een overtreding van categorie I heeft begaan, hetgeen volgens de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW aanleiding geeft tot intrekking van de verleende erkenning voor de duur van zes weken. Naar aanleiding van de eerste overtreding heeft de RDW [verzoekster] bij brief van 4 juni 2007 gewaarschuwd. Naar aanleiding van de tweede overtreding heeft de RDW bij brief van 28 februari 2008 de aan [verzoekster] verleende erkenning voorwaardelijk ingetrokken. In de brief van 4 juni 2007 is vermeld dat een schriftelijke waarschuwing niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zodat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt. Voorts is vermeld dat, indien de waarschuwing in de toekomst leidt tot een vervolgsanctie in de vorm van een op rechtsgevolg gericht besluit, [verzoekster] in een tegen dat besluit gerichte bezwaarprocedure zijn bezwaren tegen de waarschuwing kenbaar kan maken. Aangezien [verzoekster] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de voorwaardelijke intrekking van haar erkenning, staat volgens de RDW niet alleen deze sanctie, maar ook de waarschuwing in rechte vast en kunnen de eerste en tweede overtreding derhalve niet meer ter discussie worden gesteld.
2.4. De voorzitter acht het op voorhand niet uitgesloten dat, anders dan waarvan in de aangevallen uitspraak en door de RDW is uitgegaan, de voorwaardelijke intrekking van de aan [verzoekster] verleende erkenning geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet op voorhand duidelijk is waarom ten aanzien van de voorwaardelijke intrekking tot een ander oordeel moet worden gekomen over het rechtskarakter daarvan dan ten aanzien van de waarschuwing, waarvan de Afdeling heeft geoordeeld dat deze niet kan worden gekwalificeerd als een besluit (zie de uitspraak van 18 januari 2006 in zaak nr.
200409413/1). In de desbetreffende brief van 28 februari 2008 is vermeld dat de erkenning van [verzoekster] feitelijk in stand blijft en is niet vermeld dat de voorwaardelijke intrekking zal worden omgezet in een onvoorwaardelijke intrekking ingeval zij binnen een bepaalde termijn een volgende overtreding begaat.
Dit brengt met zich dat het voorshands niet zeker is dat bezwaren tegen de eerder gegeven waarschuwing naar voren gebracht hadden moeten worden in een bezwaarprocedure tegen de voorwaardelijke intrekking en niet meer aangevoerd konden en kunnen worden in deze procedure tegen de onvoorwaardelijke intrekking voor de duur van zes weken. Zelfs als de voorwaardelijke intrekking een appellabel besluit was, is daarmee nog niet op voorhand zeker dat de waarschuwing naar aanleiding daarvan moest worden bestreden, nu de waarschuwing niet is vermeld in de brief van 28 februari 2008.
[verzoekster] heeft gemotiveerd aangevoerd dat de waarschuwing ten onrechte is gegeven. De RDW is vooralsnog niet inhoudelijk op de rechtmatigheid van de waarschuwing ingegaan. Gelet hierop, is het op voorhand niet zeker dat, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, de RDW in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de aan [verzoekster] verleende erkenning voor de duur van zes weken in te trekken. Naar het oordeel van de voorzitter zou [verzoekster] onder deze omstandigheden onevenredig worden benadeeld indien de intrekking zou worden geëffectueerd voordat op het hoger beroep zal zijn beslist. In de bodemprocedure kan de RDW, met het oog op een effectieve geschilbeslechting voor het geval de Afdeling zal oordelen dat de waarschuwing nog in deze procedure kan worden bestreden, tijdig voor de zitting alsnog inhoudelijk ingaan op de rechtmatigheid van de aan [verzoekster] gegeven waarschuwing.
2.5. Gelet op het vorenstaande, ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.6. De RDW dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de directie van de Dienst Wegverkeer van 1 september 2009, kenmerk Dos. 2009/11334/bob, en het besluit van de directie van de Dienst Wegverkeer van 20 mei 2009, kenmerk RZ2009/0247;
II. veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat de directie van de Dienst Wegverkeer aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak w.g. De Vries
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009
582.