Uitspraak
200700160/1. De rechtbank heeft niet onderkend dat in dit geval slechts diende te worden beoordeeld of de gestelde slechte financiële situatie een bijzondere omstandigheid opleverde.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.
200802872/1), bestaat geen reden tot matiging van de opgelegde boete over te gaan indien de beboete werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.
200809073/1/V6, aangegeven zich niet langer op het standpunt te stellen dat uit het besluit van 6 maart 2008 voldoende blijkt dat de minister inhoudelijk heeft beoordeeld of de financiële positie van [appellant], zoals gestaafd met de in bezwaar overgelegde financiële gegevens, noopte tot matiging van de opgelegde boete. De minister dient de aangevoerde feiten en omstandigheden in het individuele geval te beoordelen, aldus de minister. Het oordeel van de rechtbank dat de minister in voormeld besluit had moeten ingaan op de vraag waarom de in bezwaar overgelegde stukken al dan niet aanleiding geven de boete te matigen, wordt aldus niet langer door de minister bestreden.