Uitspraak
200807994/1) de bij de invoering van de Wid in diverse wetten doorgevoerde wijzigingen inzake de identificatieplicht, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15 van Pro de Wav, mede tot doel een instrument te bieden voor het toezicht en de opsporing van illegale tewerkstelling. Het ontbreken dan wel het aanwezig zijn van een onvolledige administratie vormt een serieuze belemmering voor de handhaving van de Wav (Kamerstukken II 1999/2000, 27 022, nr. 3, blz. 7 en 10). Dat de vreemdeling zelf op de werkplek een origineel identiteitsdocument kon tonen, leidt derhalve niet tot het oordeel dat de doelstelling van artikel 15 van Pro de Wav niet is geschonden.
200708170/1), dient in beginsel van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal te worden uitgegaan. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt.
200803832/1) blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18b, eerste lid van de Wav (Kamerstukken II 2003/04, 29 523, nr. 3, blz. 12), dat is gekozen voor het 'zo spoedig mogelijk' opmaken van een boeterapport, omdat de snelheid waarmee een en ander kan gebeuren afhankelijk is van, samengevat weergegeven, verschillende factoren. In het licht hiervan biedt het enkele tijdsverloop tussen het constateren van de beboetbare feiten en het opmaken en uitreiken van de boeterapporten geen grond voor het oordeel dat laatstvermelde bepaling is geschonden. Voorts hebben [appellante sub 2] en [appellante sub 3] hun stelling dat, gelet op het tijdsverloop, aan de waarde van de bevindingen kan worden getwijfeld, niet gemotiveerd.
200604911/1), is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 september 2009 in zaak nr.
200806642/1), voor de behandeling van het beroep in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging van de boete aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.
200803158/1) geen afbreuk aan de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de met de Wav beoogde doelstellingen.