ECLI:NL:RVS:2009:BK7184
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting
De vreemdeling werd op 2 september 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval de opheffing van de bewaring op 7 oktober 2009, met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris pas op de vijftiende dag na inbewaringstelling daadwerkelijk handelingen ter voorbereiding van de uitzetting verrichtte, namelijk het vertrekgesprek op 16 september 2009. Andere handelingen ontbraken, en er waren geen bijzondere omstandigheden die dit konden rechtvaardigen.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat de bewaring daardoor van meet af aan onrechtmatig was wegens onvoldoende voortvarendheid. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd verworpen, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard. De Staat werd veroordeeld tot betaling van een vergoeding en proceskosten.
De zaak betrof ook de vraag of uitzetting binnen een redelijke termijn mogelijk was, waarbij werd vastgesteld dat uitzetting naar Soedan binnen redelijke termijn wel mogelijk is, mede op grond van afspraken met luchtvaartmaatschappijen en de nationaliteitsverklaring van Soedanese autoriteiten.
De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 10 december 2009.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig wegens onvoldoende voortvarendheid bij de uitzetting, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten.