Uitspraak
200701608/1), staat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan in de weg. Vrijstelling mag in dat geval eerst verleend worden, nadat die belemmering is opgeheven.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 13 maart 2003 een vrijstelling en bouwvergunning voor het veranderen en vergroten van een gebouw op een perceel in Den Haag. Tegen deze vergunning maakte een wederpartij bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit, waarbij het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak en overwoog dat het bouwplan voorzag in een kapverdieping die in strijd was met het bestemmingsplan. Het college had op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend, maar de rechtbank had terecht aangenomen dat een evidente privaatrechtelijke belemmering bestond doordat de goot van de kapverdieping de erfgrens overschreed zonder toestemming van de wederpartij.
De Afdeling oordeelde dat deze privaatrechtelijke belemmering de verlening van vrijstelling in de weg staat en dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat deze belemmering was opgeheven. Het beroep van het college faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van het college ongegrond wegens een evidente privaatrechtelijke belemmering.