Uitspraak
200901996/1/V6), dienen juist omdat het gaat om een punitieve sanctie, aan de bewijsvoering van de overtreding en aan de motivering van het sanctiebesluit hoge eisen te worden gesteld.
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [wederpartij] een boete van €28.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de boete verlaagd naar €16.000, omdat niet was gebleken dat alle zeven aangetroffen vreemdelingen daadwerkelijk arbeid hadden verricht.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat vanwege de punitieve aard van de sanctie hoge eisen aan bewijs en motivering worden gesteld. Uit het boeterapport en verklaringen bleek dat slechts vier vreemdelingen daadwerkelijk werkzaamheden uitvoerden, terwijl drie vreemdelingen niet in werkkleding waren en verklaarden geen arbeid te hebben verricht.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de minister zich ten onrechte bevoegd achtte om een boete op te leggen voor meer dan vier vreemdelingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en betaling van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de boete beperkt tot vier vreemdelingen wordt bevestigd.