ECLI:NL:RVS:2010:BK9893

Raad van State

Datum uitspraak
20 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200903640/1/H2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:48 AwbArt. 40 Wet op de Raad van State
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking subsidie wegens niet-naleving subsidieverplichtingen

Het bestuur van het Vervangingsfonds heeft op 5 september 2007 een eerder verleende subsidie van € 1.385,75 ingetrokken omdat de stichting niet voldeed aan de voorwaarden, namelijk het tijdig aanleveren van een originele factuur en een ingevuld evaluatieformulier binnen één jaar na subsidieverlening.

De stichting maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard door het Vervangingsfonds en later bevestigd door de rechtbank Breda. Vervolgens stelde de stichting hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de subsidieverplichtingen, die geen bezwaar hadden opgeleverd en dus rechtens onaantastbaar waren geworden, bindend zijn. Omdat de stichting de factuur en het evaluatieformulier niet binnen de gestelde termijn had ingediend, was het bestuursorgaan bevoegd en redelijk om de subsidie in te trekken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de subsidie bevestigd.

Uitspraak

200903640/1/H2.
Datum uitspraak: 20 januari 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de stichting Lowys Porquinstichting, gevestigd te Bergen op Zoom,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 april 2009 in zaak nr. 08/1826 in het geding tussen:
appellante
en
het bestuur van de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 september 2007 heeft het bestuur van de stichting Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs (hierna: het Vervangingsfonds) het besluit van 20 april 2004, waarbij aan appellante (hierna: de stichting) subsidie ter hoogte van € 1.385,75 is verleend voor individuele reïntegratie ten behoeve van een leerkracht, ingetrokken.
Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het Vervangingsfonds het hiertegen door de stichting gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 2 april 2009, verzonden op 9 april 2009, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 juni 2009.
Het Vervangingsfonds heeft een verweerschrift ingediend.
De stichting heeft een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met de zaken 200903631/1/H2, 200903633/1/H2 en 200903636/1/H2, ter zitting aan de orde gesteld op 4 december 2009. Na de zitting heeft de Afdeling de zaken weer gesplitst.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan het bestuursorgaan zolang de subsidie niet is vastgesteld de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
2.2. Bij besluit van 20 april 2004 heeft het Vervangingsfonds aan de stichting een subsidie individuele reïntegratie verleend ten behoeve van een leerkracht van € 1.385,75. Aan de subsidieverlening is de voorwaarde verbonden dat na afloop van de zorgverlening de originele op naam gestelde factuur en het ingevulde evaluatieformulier binnen de termijn van één jaar na dagtekening van het besluit van 20 april 2004 door het Vervangingsfonds zijn ontvangen. Daarbij is vermeld dat het recht op vergoeding van de reïntegratiebegeleiding volledig vervalt als hieraan niet wordt voldaan. Bij besluit van 5 september 2007, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 7 maart 2008, heeft het Vervangingsfonds de verleende subsidie weer ingetrokken omdat de stichting de originele op naam gestelde factuur en het ondertekende evaluatieformulier niet binnen de termijn van één jaar heeft ingezonden.
2.3. Volgens bestendige jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 14 oktober 2009 in zaak nr.
200902237/1/H2en de uitspraak van 31 juli 2002 in zaak nr.
200102657/1) kan indien tegen een besluit tot subsidieverlening, met de daarin opgenomen subsidieverplichtingen, geen rechtsmiddelen zijn aangewend en het verleningsbesluit rechtens onaantastbaar is geworden, tegen die verplichtingen op een later moment, bijvoorbeeld bij de subsidievaststelling, niet meer worden opgekomen en moeten deze als vaststaand worden aangenomen. Aangezien de stichting geen bezwaar heeft gemaakt tegen opname van de in 2.2 vermelde verplichtingen in het besluit tot subsidieverlening zijn deze vast komen te staan. Hetgeen de stichting daarover heeft aangevoerd kan in deze procedure dan ook niet meer aan de orde komen.
Niet in geschil is dat de factuur van de begeleiding van de leerkracht ruimschoots na de uiterste datum van 20 april 2005 is ingezonden en de stichting geen evaluatieformulier heeft ingezonden. Het Vervangingsfonds was ingevolge artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb dan ook bevoegd om tot intrekking van het besluit tot subsidieverlening over te gaan en heeft, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Voor zover de stichting heeft verzocht om teruggave van een deel van het voor de behandeling van de vier gevoegde zaken betaalde griffierecht, aangezien zij hoger beroep heeft ingesteld tegen weliswaar vier uitspraken van de rechtbank, maar met betrekking tot vier samenhangende en gelijkluidende besluiten, overweegt de Afdeling dat artikel 40, eerste lid, van de Wet op de Raad van State geen ruimte biedt voor het heffen van slechts eenmaal griffierecht ten aanzien van vier uitspraken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.
w.g. Wortmann w.g. Dallinga
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010
18-621.