ECLI:NL:RVS:2010:BL1794

Raad van State

Datum uitspraak
27 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200909988/2/V6
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
  • J. Oudeboon-van Rooij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet arbeid vreemdelingenArt. 15 Wet arbeid vreemdelingenArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete Wet arbeid vreemdelingen

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 10 juni 2008 aan verzoekster een boete van €218.500,- op wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Verzoekster maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank Arnhem, die het beroep op 8 december 2009 ongegrond verklaarde.

Verzoekster vroeg vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van de boete op te schorten totdat op het hoger beroep zou zijn beslist. Zij stelde dat de inning van de boete de continuïteit van haar onderneming ernstig zou bedreigen.

De voorzitter oordeelde echter dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt in financiële nood te verkeren. Haar eigen vermogen was per eind 2008 €176.121,- en zij had positieve resultaten behaald in 2007 en 2008. Bovendien had zij afgezien van een betalingsregeling die door de minister was aangeboden. Ook toekomstige investeringen in de onderneming rechtvaardigden geen andere conclusie.

De voorzitter concludeerde dat het spoedeisend belang ontbrak en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De zaak zal naar verwachting binnen korte termijn inhoudelijk worden behandeld.

Uitkomst: Het verzoek om opschorting van de boete wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

200909988/2/V6.
Datum uitspraak: 27 januari 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 december 2009 in zaak nr. 09/298 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) aan [verzoekster] een boete opgelegd van € 218.500,00 wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.
Bij besluit van 23 december 2008 heeft de minister het daartegen door [verzoekster] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekster] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2009, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 januari 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. E.G.F. Vliegenberg, advocaat te Tilburg, en vergezeld door haar maten, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.S. van Muiswinkel, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit tot het opleggen van de boete worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.
2.2. Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat, indien de haar opgelegde boete hangende hoger beroep wordt geïnd, de continuïteit van haar onderneming ernstig in gevaar komt.
[verzoekster] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij door de opgelegde boete in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de door [verzoekster] in dit verband overgelegde stukken blijkt dat haar eigen vermogen per 31 december 2008 € 176.121,00 bedroeg en zij in 2007 en 2008 een positief resultaat van onderscheidenlijk € 130.716,00 en € 39.031,00 heeft behaald. Bovendien heeft zij bewust afgezien van het indienen van een verzoek tot het treffen van een door de minister aangeboden betalingsregeling waardoor zij de mogelijkheid had de betaling van de boete in termijnen te voldoen. Dat [verzoekster], naar zij stelt, haar liquide middelen op korte termijn reeds dient aan te wenden voor noodzakelijke investeringen in de onderneming, waaronder de vervanging van het pluimvee, en zij daarnaast op langere termijn fors dient te investeren in volièrehuisvesting om haar bedrijfsactiviteiten te kunnen blijven uitoefenen, nu het per 1 januari 2012 niet langer zal zijn toegestaan om pluimvee in legbatterijen te houden, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft ter zitting uiteengezet dat voor [verzoekster] de mogelijkheid blijft openstaan een betalingsregeling te treffen. Voorts zal naar verwachting de hoofdzaak binnen niet al te lange termijn ter zitting worden behandeld.
Onder deze omstandigheden ontbeert het verzoek het voor het inwilligen daarvan noodzakelijke spoedeisende belang en bestaat voor het treffen van de gevraagde voorziening geen aanleiding. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon-van Rooij, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Oudeboon-van Rooij
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010
487.