Uitspraak
200607461/1, 12 maart 2008 in zaak nr.
200704906/1, 3 juni 2009 in zaak nr.
200803230/1/V6, 17 juni 2009 in zaak nr.
200806748/1/V6, 16 september 2009 in zaak nr.
200900632/1/V6) vloeit het volgende voort.
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 14 juni 2007 een boete van €8.000 op aan [wederpartij] wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
De rechtbank Amsterdam mat de boete tot €4.000 omdat de werkzaamheden marginaal en incidenteel waren en als vriendendienst werden verricht. De minister stelde hoger beroep in tegen deze matiging.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister de boetenormbedragen in redelijkheid heeft vastgesteld en dat het evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen. De omstandigheden waaronder de overtreding plaatsvond, zoals het marginale karakter van de werkzaamheden, kunnen tot matiging leiden.
De Raad van State bevestigde echter de uitspraak van de rechtbank, omdat de minister terecht rekening hield met deze omstandigheden. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van het evenredigheidsbeginsel bij boeteoplegging en bevestigt dat marginale en incidentele werkzaamheden een rol kunnen spelen bij de hoogte van de boete.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000 en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.