ECLI:NL:RVS:2010:BL4537
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- B. van Wagtendonk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen ongewenstverklaring vreemdeling
De vreemdeling was ongewenst verklaard en had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke was afgewezen door de staatssecretaris van Justitie. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk, omdat een ongewenstverklaarde vreemdeling ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 geen rechtmatig verblijf kan hebben.
De vreemdeling stelde dat hij wel belang had bij het beroep op grond van artikel 3.105e van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat bij een geslaagd beroep de ongewenstverklaring zou moeten worden opgeheven en een verblijfsvergunning verleend. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde echter dat het beroep niet kan leiden tot het beoogde doel zolang de ongewenstverklaring voortduurt.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat het rechtmatig verblijf eerst kan worden beoordeeld indien de ongewenstverklaring wordt opgeheven. De vreemdeling kan zijn risico op foltering of onmenselijke behandeling in een aparte procedure tegen de ongewenstverklaring aanvoeren. De grieven van de vreemdeling falen en het beroep wordt terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege de ongewenstverklaring.