Uitspraak
200701337/1is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding, wanneer zo'n belemmering evident is, aangezien de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden. Geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter als hiervoor bedoeld zich in dit geval voordoet. De beantwoording van de vraag, of na realisering van het bouwplan onredelijke hinder in de zin van artikel 37 van Pro Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) optreedt in de vorm van het onthouden van licht, of een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 162 van Pro Boek 6 van het BW jegens hem wordt begaan, is niet evident en de burgerlijke rechter is de eerst aangewezene om die vraag te beantwoorden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college hierin dan ook geen aanleiding heeft moeten zien ontheffing te weigeren.