Uitspraak
200806702/1volgt niet, anders dan het college betoogt, dat in dit geval bij de beantwoording van de vraag of het perceel in bestaand stedelijk gebied in de zin van de provinciale vrijstellingenlijst, dan wel in het landelijk gebied is gelegen, kan worden aangesloten bij de bestuurspraktijk van het college om de gronden die zijn gelegen in het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" aan te merken als landelijk gebied en de gronden daarbuiten als stedelijk gebied, nu het in die uitspraak niet ging om de toetsing aan de provinciale vrijstellingenlijst, maar om toetsing aan de notitie "Randvoorwaarden bij plaatsing van zend-/antenne-installaties" van de gemeenteraad. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 juli 2002 in zaak nr.
200103657/1) is de vraag of een perceel al dan niet in bestaand stedelijk gebied ligt, een vraag van feitelijke aard. De aard van de omgeving is daarbij bepalend. Van belang is waar de bebouwing feitelijk (nagenoeg) ophoudt. Uit de plankaart van het bestemmingsplan en uit luchtfoto's blijkt dat het perceel ten zuiden en oosten grenst aan een woonwijk, ten westen grenst aan het terrein van de Universiteit Twente en dat ten noorden van het perceel sprake is van spaarzamer wordende bebouwing. Het college heeft zich, gelet hierop, terecht op het standpunt gesteld dat het perceel is gelegen in bestaand stedelijk gebied aan de rand van een kern.