ECLI:NL:RVS:2010:BL7732

Raad van State

Datum uitspraak
17 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200907152/1/M2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • W. Sorgdrager
  • Y.E.M.A. Timmerman-Buck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Wet milieubeheerArt. 4 Wet geurhinder en veehouderijArt. 1 Regeling geurhinder en veehouderijArt. 4 Regeling geurhinder en veehouderij
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vergunning wijziging veehouderij wegens onvoldoende afstand geurhinder

Het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden heeft op 27 juli 2009 geweigerd een vergunning te verlenen voor het veranderen van een mestvarken- en melkrundveehouderij aan een locatie te Reusel-De Mierden. De weigering was gebaseerd op het feit dat de minimale afstand van 50 meter tot een geurgevoelig object niet werd gehaald, zoals voorgeschreven in de Wet geurhinder en veehouderij.

De appellant betoogde dat het college ten onrechte uitging van de deuren aan de voorzijde van de rundveestal als dichtstbijzijnde emissiepunt en dat met het voorschrift dat deze deuren gesloten moeten zijn, relevante geuruitstoot voorkomen kan worden. Tevens stelde hij dat de afstand altijd minder dan 50 meter was en dat het woon- en leefklimaat niet verslechterde, zodat toepassing van een uitzondering op de afstandsnorm mogelijk was.

De Raad van State oordeelde dat het college terecht de deuren als emissiepunt heeft aangemerkt vanwege natuurlijke ventilatie en het onvermijdelijk openen van de deuren. De afstand tot het geurgevoelig object bedroeg 40 meter, wat niet voldoet aan de 50 meter norm. Bovendien was er sprake van een toename van het aantal dieren, waardoor de uitzondering op de afstandsnorm niet van toepassing was. Het beroep werd ongegrond verklaard en de vergunning geweigerd.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de vergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning geweigerd.

Uitspraak

200907152/1/M2.
Datum uitspraak: 17 maart 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Reusel-De Mierden,
en
het college van burgemeester en wethouders van Reusel-de Mierden,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden geweigerd aan [appellant] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer te verlenen voor het veranderen van een mestvarken- en melkrundveehouderij aan de [locatie A] te [plaats]. Dit besluit is op 11 augustus 2009 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 oktober 2009.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door
mr. D.M.C. van Laerhoven-van Veen, werkzaam bij de gemeente, en ing. I. van Bakel, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Aan het besluit tot weigering van de gevraagde vergunning heeft het college ten grondslag gelegd dat ten aanzien van het geurgevoelige object [locatie B] niet wordt voldaan aan de op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) minimaal aan te houden afstand van 50 meter.
2.2. [appellant] stelt dat het college de aanvraag om een veranderingsvergunning ten onrechte heeft geweigerd. Hij voert aan dat het college er bij de berekening van de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object aan de [locatie B] ten onrechte van uit is gegaan dat het dichtstbijzijnde emissiepunt is gelegen bij de deuren aan de voorzijde van de rundveestal. Door aan de vergunning het voorschrift te verbinden dat de deuren altijd gesloten behoren te zijn, behoudens het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen kan volgens [appellant] worden voorkomen dat bij de deuren relevante ventilatieverliezen optreden. Voorts stelt [appellant] dat de afstand tot het geurgevoelige object altijd minder dan 50 meter heeft bedragen en dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van het geurgevoelige object niet verslechtert, zodat het college toepassing had moeten geven aan artikel 4, derde lid, van de Wet geurhinder.
2.2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgelegd, en een geurgevoelig object ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Wet geurhinder wordt een vergunning indien de afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, in afwijking van die leden, niet geweigerd indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste of tweede lid bedoelde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij, voor zover hier van belang, wordt de afstand, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet, gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt.
Ingevolge artikel 1 van Pro de Regeling geurhinder en veehouderij, voor zover hier van belang, wordt onder emissiepunt verstaan: punt waar een relevante hoeveelheid geur buiten het geheel overdekt dierenverblijf treedt, dan wel wordt gebracht.
2.2.2. De rundveestal van de inrichting is voorzien van een traditioneel huisvestingssysteem met natuurlijke ventilatie. Volgens de toelichting op de Regeling geurhinder en veehouderij (Staatscourant 18 december 2006, nr. 246, p. 21) is het dichtstbijzijnde emissiepunt bij natuurlijk geventileerde stalsystemen meestal de dichtstbijzijnde ventilatie-uitlaat of andere opening waaruit relevante geuremissies optreden. Voor de inrichting aan de [locatie A] zijn de dichtstbijzijnde stalopeningen de deuren aan de voorzijde van de rundveestal. Volgens de aanvraag zullen deze deuren één keer per dag gedurende enkele minuten geopend zijn, voor het overige zullen de deuren gesloten zijn. De Afdeling is van oordeel dat het college ter bepaling van het dichtstbijgelegen emissiepunt terecht is uitgegaan van de deuren aan de voorzijde van de rundveestal, aangezien door de natuurlijke ventilatie van de stal niet is uit te sluiten dat via deze deuren, die nodig zijn voor het doorlaten van personen en/of goederen, relevante geuremissies zullen optreden. Gelet hierop kan ook met het verbinden van voorschriften aan de vergunning niet worden gewaarborgd dat door deze stalopening geen of slechts te verwaarlozen hoeveelheden geur buiten de stal zullen treden.
2.2.3. De afstand van de buitenzijde van het geurgevoelig object tot de stalopening bedraagt 40 meter. Hieruit volgt dat niet kan worden voldaan aan de ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder vereiste afstand. De vergunning dient daarom ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder te worden geweigerd, tenzij - voor zover hier van belang - de in artikel 4, derde lid, geregelde uitzondering van toepassing is. Dat is het geval indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie.
Vaststaat dat het aangevraagde veebestand een toename van het aantal dieren van de diercategorieën melkrundvee en vrouwelijk jongvee ten opzichte van de bestaande situatie inhoudt. De in artikel 4, derde lid, van de Wet geurhinder geregelde uitzondering is gelet hierop niet van toepassing.
Het college heeft de aangevraagde vergunning dan ook terecht op grond van artikel 4 van Pro de Wet geurhinder en veehouderij geweigerd.
2.3. Het beroep is ongegrond.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Fransen
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010
407-628.