Uitspraak
200700603/1, bevat artikel 19d van de Nbw 1998 voldoende elementen die een interpretatie van deze bepaling conform artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn mogelijk maken.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Gelderland verleende op 27 september 2007 een vergunning voor het oprichten van een windturbinepark bij het verkeersknooppunt Hattemerbroek. Appellanten, waaronder een stichting en een vereniging, stelden beroep in tegen het besluit van 9 oktober 2008 waarbij bezwaren gedeeltelijk werden afgewezen.
De Raad van State oordeelde dat de stichting niet als belanghebbende kon worden aangemerkt omdat het windturbinepark buiten haar werkgebied ligt, maar dat de vereniging en individuele appellanten wel belanghebbenden zijn gezien hun directe betrokkenheid bij het besluit. Het toetsingskader betrof de Natuurbeschermingswet 1998 en Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen.
Het college baseerde zich op rapporten van Bureau Waardenburg die effecten op vogelsoorten en mogelijke barrièrewerking onderzochten. De Raad stelde echter vast dat deze rapporten onvoldoende inzicht boden in de mogelijke significante gevolgen, met name de fuikwerking van de windturbines en cumulatieve effecten met andere projecten. Hierdoor ontbrak een passende beoordeling zoals vereist onder artikel 19f van de Nbw 1998.
De Raad vernietigde het besluit en verklaarde de beroepen van appellanten gegrond. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De zaak werd gesplitst en afzonderlijk behandeld, waarbij het college bij hernieuwde besluitvorming rekening moet houden met de instandhoudingsdoelstellingen en samenwerking met de provincie Overijssel.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening voor het windturbinepark bij Hattemerbroek wordt vernietigd wegens het ontbreken van een passende beoordeling van de effecten op beschermde natuurgebieden.