ECLI:NL:RVS:2010:BL8661

Raad van State

Datum uitspraak
24 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200907952/1/H1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • A.J. Soede
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 AwbArt. 5:35 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen verlenging begunstigingstermijn handhavingsbesluit

Het college van burgemeester en wethouders van Zundert besloot op 23 september 2008 de begunstigingstermijn van een handhavingsbesluit tot opheffing van strijdig gebruik van een perceel te verlengen tot de gemeenteraad een besluit neemt over een projectbesluit. De rechtbank Breda verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit. Vervolgens verlengde het college de begunstigingstermijn opnieuw tot uiterlijk 1 april 2009. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.

Appellant stelde dat het college nog uitvoering kan geven aan het dwangsombesluit en dat de verjaring van dwangsommen door afspraken niet is ingetreden. De Raad van State overwoog dat de dwangsommen vanaf 16 mei 2008 van rechtswege waren verbeurd en het maximum op 24 juli 2008 was bereikt. Omdat het besluit tot verlenging pas na die datum was genomen, kon verbeuring niet worden voorkomen. Invordering was na 24 januari 2009 verjaard en het college kon geen uitvoering meer geven aan het oorspronkelijke besluit.

De Raad van State concludeerde dat het nemen van een nieuw handhavingsbesluit geen uitvoering van het oude besluit is en dat vernietiging van het verlengingsbesluit niet leidt tot alsnog uitvoering van het dwangsombesluit. Daarom ontbrak procesbelang bij appellant en is het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen de verlenging van de begunstigingstermijn wordt bevestigd.

Uitspraak

200907952/1/H1.
Datum uitspraak: 24 maart 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 september 2009 in zaak nr. 09/644 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Zundert.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zundert besloten de begunstigingstermijn van het handhavingsbesluit van 18 maart 2008 tot opheffing van het met het bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen 1977" strijdige gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] door [belanghebbende], te verlengen tot en met het moment dat de gemeenteraad heeft besloten over het al dan niet nemen van een projectbesluit.
Bij uitspraak van 13 november 2008 heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 23 september 2008 vernietigd.
Bij besluit van 15 december 2008 heeft het college besloten de begunstigingstermijn van het handhavingsbesluit van 18 maart 2008 te verlengen tot en met het moment dat de gemeenteraad heeft besloten over het al dan niet nemen van een projectbesluit, doch tot uiterlijk 1 april 2009.
Bij uitspraak van 25 september 2009, verzonden op 29 september 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2009, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[belanghebbende] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld een schriftelijke uitzetting gegeven.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J.J.M. de Groot en F.H.J.J. Lenaers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 15 december 2008, omdat het college nog wel tot uitvoering van het dwangsombesluit van 18 maart 2008 kan overgaan. Hij voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat geen dwangsommen zijn verbeurd dan wel de invordering van de verbeurde dwangsommen niet is verjaard door afspraken tussen het college en [belanghebbende]. Voorts kan het college een nieuw handhavingsbesluit nemen.
2.2. Met het instellen van beroep tegen het besluit van 15 december 2008 beoogt [appellant] te bewerkstelligen dat het college uitvoering geeft aan het besluit van 18 maart 2008.
Bij besluit van 18 maart 2008 heeft het college [belanghebbende] gelast de strijdigheden met het bestemmingsplan op te heffen binnen 8 weken na verzending van het besluit onder oplegging van een last onder dwangsom van € 2000,00 per week, met een maximum van € 20.000,00. Dit besluit is op 8 juli 2008 in rechte onaantastbaar geworden. Aan de last is niet voldaan. Dit betekent dat met ingang van 16 mei 2008 van rechtswege dwangsommen zijn verbeurd en dat op 24 juli 2008 het maximum is bereikt. Dat verlenging van de begunstigingstermijn vóór laatstgenoemde datum zou hebben plaatsgevonden is niet aannemelijk gemaakt. Met het besluit van 15 december 2008 kon verbeuring van de dwangsommen niet meer worden voorkomen, nu dit besluit eerst na 24 juli 2008 is genomen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2003 in zaak nr.
200204924/1), vindt stuiting van de verjaring plaats door iedere handeling waarbij aanspraak wordt gemaakt op betaling van het verbeurde bedrag, zoals een nota of aanmaning, waarna de termijn van zes maanden opnieuw gaat lopen. Van een dergelijke handeling is niet gebleken. Uit artikel 5:35, eerste lid, van de Algemene wet bestuursecht - zoals deze luidde ten tijde van belang - volgt dat de bevoegdheid van het college tot invordering van de verbeurde bedragen na het verstrijken van de termijn van 6 maanden op 24 januari 2009 is verjaard. Nu invordering niet meer mogelijk is, kan geen uitvoering meer worden gegeven aan het besluit van 18 maart 2008. Het nemen van een nieuw handhavingsbesluit kan niet als uitvoering van dat besluit worden beschouwd.
Vernietiging van het besluit van 15 december 2008 kan er niet toe leiden dat alsnog uitvoering wordt gegeven aan het besluit van 18 maart 2008. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat een procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 15 december 2008 ontbreekt.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Soede
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010
270-642.