Uitspraak
200204924/1), vindt stuiting van de verjaring plaats door iedere handeling waarbij aanspraak wordt gemaakt op betaling van het verbeurde bedrag, zoals een nota of aanmaning, waarna de termijn van zes maanden opnieuw gaat lopen. Van een dergelijke handeling is niet gebleken. Uit artikel 5:35, eerste lid, van de Algemene wet bestuursecht - zoals deze luidde ten tijde van belang - volgt dat de bevoegdheid van het college tot invordering van de verbeurde bedragen na het verstrijken van de termijn van 6 maanden op 24 januari 2009 is verjaard. Nu invordering niet meer mogelijk is, kan geen uitvoering meer worden gegeven aan het besluit van 18 maart 2008. Het nemen van een nieuw handhavingsbesluit kan niet als uitvoering van dat besluit worden beschouwd.