Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2010:BL8675

Raad van State

Datum uitspraak
24 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200907360/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen vrijstelling gebruik voormalig marinevliegkamp Valkenburg

Het college van burgemeester en wethouders van Katwijk verleende op 25 september 2007 een vrijstelling voor het gebruik van gronden en opstallen van het voormalig marinevliegkamp Valkenburg voor diverse doeleinden. De stichting Woonstichting KBV, als huurder van een deel van deze gronden, stelde beroep in tegen dit besluit, stellende dat zij belanghebbende was vanwege inkomstenverlies door het uitgesloten horecagebruik.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat KBV geen rechtstreeks belang had bij het besluit. Tegen deze uitspraak stelde KBV hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad overwoog dat het belang van KBV slechts afgeleid en parallel liep aan dat van de Staat, die eigenaar is van de gronden en ook gebaat is bij een ruime vrijstelling. Het ontbreken van een rechtsmiddel door de Staat tegen het besluit betekent niet dat KBV een tegengesteld belang heeft.

De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 24 maart 2010.

Uitkomst: Het beroep van Woonstichting KBV wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belanghebbendheid.

Uitspraak

200907360/1/H1.
Datum uitspraak: 24 maart 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de stichting Woonstichting KBV, thans haar rechtsopvolgster de stichting Dunavie, gevestigd te Katwijk,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 augustus 2009 in zaak nr. 07/8282 in het geding tussen:
de stichting Woonstichting KBV
en
het college van burgemeester en wethouders van Katwijk.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Katwijk aan de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën, dienst Domeinen, regionale directie Domeinen West) voor een periode van vijf jaar vrijstelling verleend voor het gebruik van een deel van de gronden en opstallen van het voormalig marinevliegkamp Valkenburg (hierna: het vliegkamp) ten behoeve van woon-, maatschappelijke-, recreatieve- en bedrijfsdoeleinden.
Bij uitspraak van 12 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage het door de stichting Woonstichting KBV daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft KBV bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 oktober 2009.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2010, waar KBV, vertegenwoordigd door mr. J.M.H. van den Mosselaar en mr. F.J.E. Mollema, beiden advocaat te Woerden, bijgestaan door B.W. Righarts, en het college, vertegenwoordigd door drs. L. Rietdijk, werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door mr. M. van Harten, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Staat, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. De Staat heeft de gronden en opstallen van het vliegkamp, voor zover hier van belang, met ingang van 1 januari 2007 verhuurd aan KBV. KBV verhuurt een aantal van deze gebouwen met bijbehorende gronden onder aan derden.
2.2. KBV betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij belanghebbende is en een rechtstreeks betrokken belang heeft bij het besluit van 25 september 2007. Hiertoe voert zij aan dat zij inkomsten derft zo lang de opstallen niet mogen worden gebruikt ten behoeve van horecadoeleinden. Dit belang is volgens KBV tegengesteld aan dat van de Staat. In dit verband wijst zij er op dat de Staat niet tegen het besluit van 25 september 2007 is opgekomen.
2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2.2.2. De omstandigheid dat de Staat niet in rechte tegen de verleende vrijstelling is opgekomen, brengt, anders dan KBV betoogt, niet mee dat zij een aan de Staat tegengesteld belang heeft bij het besluit van 25 september 2007. Dat KBV, zoals zij ter zitting heeft toegelicht, het ontwikkelrisico van het gebruik van de desbetreffende gronden en opstallen draagt, biedt evenmin grond voor dit oordeel. Zowel KBV als de Staat zijn gebaat bij een ruimere vrijstelling teneinde meer ontwikkelingen mogelijk te maken ten behoeve van een goede exploitatie van het vliegkamp. Het door de Staat bij brief van 25 januari 2007 ingediende verzoek om tijdelijke vrijstelling te verlenen had ook een ruimere strekking dan de verleende vrijstelling en zag mede op horecadoeleinden en detailhandel. Gelet op deze omstandigheden heeft KBV als huurster slechts een afgeleid, aan de Staat parallel belang. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht overwogen dat KBV geen belang heeft bij een oordeel omtrent de rechtmatigheid van het besluit van 25 september 2007.
Het betoog faalt.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.
w.g. Wortmann w.g. Van Driel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010
414-593.